Mix van lyrische zang en dreunende techno

Hoezo eclectisch? De veelzijdigheid van Van der Aa’s opera is onze reële muzikale wereld.

Sopraan Miah Persson zingt in de opera Blank Out met haar gefilmde tegenspeler, bariton Roderick Williams foto Marco Borggreve

Een van de vele dingen die je kunt zeggen over de muziektheatrale werken van Michel van der Aa (1971): ze vormen een oeuvre. Al vanaf de kameropera One (2002) was Van der Aa consequent in zijn thematiek. Gemene deler (in het kort): een zoektocht naar de werking van de geest, naar de (vaak gespleten) manier waarop we onszelf zien en onze levens vormgeven – worstelend met de gebrekkige maakbaarheid daarvan.

De tweede gemene deler: Van der Aa’s queeste naar de ideale verpakking van die thematiek. In One ging een sopraan in dialoog met haar alter ego op film. In zijn nieuwste kameropera Blank Out blijken de middelen alweer veel geavanceerder. Sopraan Miah Persson zingt met gefilmde ego’s zelfs terzetten, ze interageert met haar tegenspeler (op film in 3D) en doordat ze zichzelf ook nog live filmt, is het aantal muzikale bewustzijnslagen maximaal uitgebreid. Maar, zegt Van der Aa zelf, de techniek is ook maar een middel.

Daarover: de meerwaarde van het gebruik van 3D-film is beperkt. Alleen de kiezels die op zeker moment nijdig op je afvliegen hebben een wezenlijk extra effect, verder zou de cinematografische inbreng in 2D waarschijnlijk evenzeer overtuigen. Wat wel sterk binnenkomt, is het besef dat Van der Aa stap voor stap dichterbij zijn meesterwerk komt. Je voelt het gloren onder de oppervlakte van momenten die soms al geweldig zijn, maar nog worden verstoord door minder sterke passages – zoals de filmische catharsis, waarin de mannelijke protagonist omhoog rijst uit een bad met herfstbladeren. Daar is de beeldentaal zo symboolzwanger en de beweging zo abrupt dat het contrast een onbedoeld absurdistisch effect heeft.

Van der Aa werkte al met veel tekstdichters. Maar of het nu Borges, Mitchell, Pessoa, Dickinson of eigen werk betrof: de teksten lieten ruimte voor verbeelding. Talrijk waren de zinnen met open plekken, vraagtekens. En zelden kwam er op die vraagtekens een antwoord met een punt.

De titel verduidelijkt dat Blank Out die lijn niet breekt. Maar er is een nieuwe troef: het libretto op basis van gedichten van de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker, dat in de afwisseling van hermetiek en klare taal een ideale bedding blijkt voor Van der Aa’s eigen muzikale mix van slaap en waak, zwevende lyriek en concrete hoekigheid.

De verhaallijn laat het nodige open: vrouw reflecteert op verdrinking van 7-jarige zoon. Zoon (thans in volwassen gedaante) reflecteert op moeder en jeugd. De plot die je wellicht zou kunnen destilleren – dat beiden bij het auto-ongeluk verdronken – is minder relevant dan beider bespiegelingen op de broosheid en de verbrokkeldheid van het leven, en het besef dat vele perspectieven op één gebeurtenis alle even ‘waar’ zijn.

Dat klinkt vaag en dat is vaag. Maar vaagheid is de humus van Van der Aa’s muziek, die niet alleen vaak bijzonder mooi is, maar er ook in slaagt de zeer eigen mix van a-cappellakoor, soundtrack, lyrische zanglijnen en dreunende techno te presenteren als een natuurlijk amalgaam. Hoezo eclectisch? De veelzijdigheid van Van der Aa is onze reële muzikale wereld.

Miah Persson, als enige live on stage (man en koor verschijnen alleen op film of soundtrack) heeft met haar heldere hoogte en moederlijke laagte een stem om van te houden. Dat geeft het drama extra diepte. Roderick Williams zingt uitstekend en overtuigt in de gesproken terugblikken. Die semidocumentaire passages hebben meerwaarde, omdat ze het verhaal nabijheid verlenen, waar bij opera vaak juist het artificiële dient als ventiel voor ons eigen emotionele engagement. Zo blijf je na vijf kwartier zitten met vraagtekens die zowel plagen als behagen. Zeker ben je alleen van je eigen nieuwsgierigheid: naar de volgende Van der Aa.