Column

Klojo

De laatste tijd gaan er steeds meer ouders dood. Een vriend die afgelopen jaar zijn vader (nog geen zestig) verloor, is nog steeds totaal van slag. „Soms, als ik drink, sms ik hem zelfs nog.” Ik houd mijn hart vast. Mijn eigen vader is 79 en gaat tot dusver vrij goed mee. Hij sport drie keer per week en een levenslang dieet, bestaande uit noten, vis, whisky en sigaretten, lijkt hem tot dusver niet echt te hebben beschadigd. Oké, hij ziet er inmiddels zo verweerd uit als Gandalf die in een bak met zoutzuur is gevallen, maar hij doet het nog steeds.

Ik weet dat ik me gelukkig mag prijzen met zo’n kerngezonde verwekker (nu ik dit schrijf, klop ik het ook meteen af, je weet nooit zeker welke ziektes sluimeren in het DNA van de mensen van wie je houdt), maar ik ben mijn hele leven bang geweest hem jong te verliezen. Ik was op de basisschool de enige die meer dan 45 jaar scheelde met haar vader (er liep nog een jongetje rond wiens moeder 42 jaar ouder was dan hij, maar hij wilde liever niet over sterfelijkheid praten, hij had ook al het syndroom van Down). Mijn slaapkamer lag naast de badkamer en als ik ’s avonds mijn vader zijn kunstgebit hoorde schoonmaken (hij bezocht pas op zijn 22ste voor het eerst een tandarts), snikte ik mijn kussen vol. Nu leeft hij nog, dacht ik, maar hij kan elk moment de pijp uitgaan, en dan is de tijd op, heb ik niet voldoende laten zien dat ik een goed kind was.

Maar mijn vader lijkt (afklop, afklop) niet kapot te krijgen. Soms komt hij onder het bloed thuis. Wilde hij met de fiets van een stoepje af waardoor hij over het stuur kukelde en op het asfalt belandde en er vervolgens een tandem over hem heen reed. Normale mensen zouden dan op zijn leeftijd toch wel een enkeltje Petrus krijgen, maar mijn vader moest slechts een tetanusprik en stond de dag daarop weer vrolijk hout te hakken in de achtertuin.

Deze week ben ik een paar dagen bij mijn ouders. Nog steeds ga ik eerder naar bed dan mijn vader.

„Welterusten pa”, zei ik gisteravond tegen hem.

„We zien elkaar morgen”, zei hij.

„Ja, als je dan nog leeft”, antwoordde ik.

„We kijken morgen in ieder geval naar elkaar”, grijnsde mijn vader, waarop ik „Gdvrdmm, klojo!” zei, en hij keihard begon te lachen.

Daar heb ik vannacht weer een paar uur van wakker gelegen. Wat als dit de laatste woorden zijn die ik tegen hem heb gezegd. Echt iets voor hem, om juist dan dood te gaan.