Het land van goud en olie verarmt

Zelfs president Desi Bouterse geeft het toe: het financiële beleid kon beter. Surinamers zuchten onder de economische crisis. Het gemor over corrupte politici neemt toe. „Baantjes worden onderling uitgedeeld.”

De staatsschuld van Suriname loopt op

Gaytri Lachman (53) onderzoekt het voedselpakket dat een medewerker van comité Kweki Makandra (‘Verzorg Elkaar’) haar aanreikt. Kip, een blik bruine bonen, een grote zak rijst en nog een tiental andere levensmiddelen. „Hier kunnen we even mee vooruit”, zegt ze opgelucht en sjouwt het pakket naar haar auto. Die stamt uit betere tijden. „Mijn zoons werkten in een houtfabriek, verdienden goed en kochten deze auto. Maar nu is alles zo duur dat we het zonder dit voedselpakket niet redden.”

Gaytri Lachman heeft net als honderdduizenden landgenoten last van de crisis in Suriname. Ging het het land bijna een decennium voor de wind, met de laatste jaren zelfs een economische groei van meer dan 4 procent, recentelijk gaat het bergafwaarts. De grondstoffenprijzen zijn fors gedaald, vooral die van goud en olie, samen goed voor 90 procent van de totale export en eenderde van de overheidsinkomsten.

Tegelijk namen de overheidsuitgaven toe. Zo traden in het jaar voor de verkiezingen van mei 2015 volgens sommige schattingen bijna 8.000 mensen in dienst van de overheid, die met zo’n 40.000 ambtenaren (op een bevolking van 560.000 mensen) al groot was. Ook maatregelen als verhogingen van kinderbijslag, ouderdomsuitkering en de invoering van een sociaal zekerheidsstelsel kostten de regering veel geld. Het overheidstekort liep volgens officiële cijfers op tot 6 procent van het bruto binnenlands product. Maar volgens economen ligt het mogelijk zelfs rond de 16 procent, doordat veel bedrijven, waaronder aannemers, niet of nauwelijks uitbetaald kregen. Toen in november vorig jaar de wisselkoersen op de zwarte markt op hol sloegen, besloot de toenmalige president van de centrale bank, Gillmore Hoefdraad, tot een devaluatie van de Surinaamse dollar van 20 procent.

In zijn kantoor schudt Sigmund Proeve, directeur van De Surinaamsche Bank (DSB) en voorman van de bankiersvereniging, zijn hoofd. „Er zijn beslissingen genomen waarvan ik als econoom zeg: dat zou anders moeten.”

Investeren in plaats van uitgeven

Proeve wijst op maatregelen van de regering-Bouterse in de tijd dat de economie groeide. Hij noemt de verhoging van pensioenen en kinderbijslag, en invoering van minimumloon en algemene ziektekostenverzekering. Proeve: „Belangrijke zaken, maar was het de tijd wel? Zou er niet eerst geïnvesteerd moeten worden in onze productiesector, zodat we minder afhankelijk worden van alleen grondstoffen? Landbouw is bijvoorbeeld nog een braakliggend terrein. Er moet alleen geïnvesteerd worden. Nu wordt er vooral uitgegeven.”

Proeve, die eerder getipt werd voor de post van president van de centrale bank, ziet devaluatie niet als oplossing. „Die werkt alleen in een land dat exporteert en waar investeerders al naar toe trekken”, zegt hij. „Kijk naar ons buurland Brazilië dat nu in een vergelijkbare economische crisis zit, maar door daling van de waarde van hun nationale munt nu wel interessant wordt voor investeerders. Suriname is een importland en moet zich nog op de kaart zetten bij investeerders, niemand kent ons.”

Door de devaluatie zijn ook de prijzen in kledingzaak Senso/Plus van ondernemer en econoom Waddy Sowma, tevens voorzitter van de Vereniging van Economisten in Suriname (VES) de lucht ingeschoten. „Onze kleding komt uit het buitenland en betaal ik in dollars. Door de devaluatie hebben we alles nu al met 15 procent moeten verhogen. Straks kopen de mensen niets meer.” Sowma en zijn vereniging zagen de crisis al ver voor de verkiezingen aankomen. „Toen luisterde niemand. In verkiezingstijd maak je je met zorgwekkende geluiden nu eenmaal niet geliefd.”

De ontevredenheid onder de bevolking stijgt en de eerste demonstranten zijn de straat op gegaan. Behalve de crisis zijn groeiende corruptie en nepotisme veel Surinamers een doorn in het oog: bevriende partijgenoten en familieleden worden op prominente posities geplaatst en krijgen riante salarissen. Zo werd Ramon Abraham raadsadviseur. Hij trad in 2013 af als minister van Openbare Werken na publicaties over corruptie. Vorige maand benoemde Bouterse, zijn persoonlijke vriend Hans Jannasch tot waarnemend hoofd Veiligheidsdienst (CIVD). Jannasch, net als Bouterse oud-militair, werd in 2004 veroordeeld voor drugshandel maar kreeg gratie toen Bouterse in 2010 aan de macht kwam. Hij gaf zijn vrouw een betaalde functie binnen het staatsapparaat en zijn dochter werd benoemd tot raadsadviseur bij het kabinet van de president. Ondertussen komen corruptie en wanbeleid bij staatsbedrijven aan het licht.

„Baantjes worden onderling uitgedeeld en wij kennen niemand bij de overheid, dus wat moet je dan”, zucht Gaytri Lachman bij de uitdeling van voedselpakketten.

De kans lijkt klein dat het met de toenemende ontevredenheid zover komt als in 1999, toen president Jules Wijdenbosch, partijgenoot van Bouterse, na demonstraties van tienduizenden Surinamers werd gedwongen vervroegde verkiezingen uit te schrijven. Het huidige protest wordt niet breed gedragen en de oppositie onder leiding van oud-minister Chan Santokhi van Justitie kan nauwelijks op tegen de regerende coalitie.

Pompen of verzuipen

Bouterse gaf vorige maand op een persconferentie toe dat zijn beleid tekortschoot: „De inkomsten werden niet in de gaten gehouden en de uitgaven waren hoger dan de inkomsten. Er zijn fouten gemaakt.” Hij omschreef Suriname’s situatie als „pompen of verzuipen”. Inmiddels is ook de hulp ingeroepen van het door Bouterse gehekelde IMF.

Econoom Proeve ziet in de crisis ook een regionale component: „In veel landen in Latijns-Amerika is er een ruk naar rechts, verliest het populisme terrein en staan economieën onder druk door lage grondstofprijzen en een sterke dollar.”

De centrale bank probeert de crisis te bestrijden met het loskoppelen van de Surinaamse dollar van de Amerikaanse dollar. Door de valutaveiling kunnen banken valuta kopen bij de centrale bank en wordt de wisselkoers bepaald door vraag en aanbod en niet meer, zoals nu, door de machtige parallelmarkt van de wisselkantoren.

Economen verwachten hierdoor meer monetaire stabiliteit. Maar directeur Jim Boussaid van Hakrinbank waarschuwde: „Het succes valt of staat met een totaal aanpassingsplan waarbij het uitgavenpatroon van de overheid omlaag gaat en er meer deviezen het land in komen. ”