Die schaamtevolle gedachte: gelukkig was het in België, niet hier

Over de aanslagen in Brussel kun je alleen machteloos praten, schrijft Marjoleine de Vos. „Iedereen heeft al lang die schaamtevolle gedachte gehad: gelukkig was ik daar niet.”

Brussel, dinsdagmiddag. FOTO NICOLAS MAETERLINCK / AFP

Wat?! Wat verschrikkelijk! Het is de eerste reactie, die zo snel komt dat je niet eens weet wat je denkt of voelt, dit volautomatische ‘verschrikkelijk’. En tegenover de mensen die je later spreekt zul je het ook zeggen: verschrikkelijk. Of: afschuwelijk.

Een machteloos soort praten is het. En helemaal eerlijk is het ook niet. Want je hebt niet alleen gedacht ‘verschrikkelijk’. Iedereen heeft al lang die schaamtevolle gedachte gehad: gelukkig was ik daar niet. Of: gelukkig was daar niemand die ik kende. Gelukkig was het in België, niet hier.

Het is niet prettig om vast te stellen, maar het is zoals het is. De levenswil is enorm en die wil dat dít lichaam leeft. Leeft. Leeft. Een oude schrijver zei eens tegen me: „De levenswil is het gruwelijkste wat er is.”

Tast zo’n aanslag, deze of de vorige, mijn mensbeeld aan? Ik weet wel dat er mensen zijn, zoals die aanslagplegers, die onder invloed van hun overtuiging bereid zijn om vernietigende dingen te doen. Of misschien vinden ze het heimelijk gewoon lekker. Lekker om macht over leven en dood te hebben, om mensen bang te maken. Het is een weerzinwekkende gedachte, waarvan ik me altijd zo snel mogelijk weer afwend. Maar nee, hij tast mijn mensbeeld niet aan, want ik dacht al niet dat de mensen ‘eigenlijk’ goed zijn. Ook niet ‘eigenlijk’ slecht. „Er is alles in de wereld” om met Lucebert te spreken.

Je leeft je dus in in de mensen die deze ramp wel getroffen heeft. Wat als. Je denkt aan mensen die eerder met zoiets te maken kregen – de nabestaanden van de slachtoffers van de MH17 bijvoorbeeld. Maar wat is dat voor inleven? Een glimp van iets dat je niet kunt en ook beslist niet wilt voelen.

Verschrikkelijk. Afschuwelijk.

En de angst, er is de angst. Je kunt zo maar ergens zijn, of je geliefde, je broer, je vriendin, moeder, kind is ergens en dat ergens is de verkeerde plek. Op dat moment precies verkeerd.

Maar hoe is dat met angst: ze steekt de kop op, als een hond die rustig in de hoek lag en na een poosje legt ze die kop weer op de poten. Ze is niet weg. Maar ze springt ook niet steeds op.

Zelfs op een vliegveld of in een grote stad is de kans heel klein, zeggen we tegen elkaar. Op zulke plaatsen lopen duizenden mensen voorbij, de hele dag, zo’n aanslag doodt een aantal van hen – wat een kleine kans. Daar moeten we mee kunnen leven. Daar moeten we ons niet te grote zorgen over maken.

Maar dat doe je toch natuurlijk. Want na die zorg en opluchting om je eigen nabijen, komt die andere zorg: die voor de toekomst. Hoe vaak gaat dit nog gebeuren? Vast vaak. En hoe komt er weer een einde aan? Weten we niet. Wat moeten we vinden behalve verschrikkelijk afschuwelijk?

Het gewone leven, het bestaat maar door. Verschrikkelijk

Oh ja, er zullen weer lange analyses verschijnen waarin betoogd wordt dat we meer kansen moeten bieden aan kansarme jongeren in kansarme wijken en uit kansarme milieus en zeker moeten we dat doen – ook zonder aanslagen is dat een prima idee.

Er zullen betogen geschreven worden waarin dit juist wel of juist niet met ‘de’ islam in verband wordt gebracht. Mensen zullen erop wijzen dat verreweg de meeste slachtoffers van de radicaal islamitische terreurgroepen zelf ook islamieten zijn.

We zullen ons weer eens realiseren dat ‘we’, ‘we’ van de blanke, intellectuele, West-Europese bovenlaag een heel ander wereldbeeld hebben dan veel van de mensen in Molenbeek, de Schilderswijk, Saint-Denis enz.

We zullen luisteren naar mensen, meestal mannen, die doen alsof ze wel begrijpen en weten hoe het nu verder moet. En misschien weten ze dat ook wel, laat ons het hopen. En zo praten en lezen en schrijven en gillen we ons naar een soort begrip, of niet eens begrip, naar een manier om over de wereld te praten en te denken die ons in staat stelt te doen alsof we greep hebben op de bewegingen en voorvallen.

Maar daar is geen sprake van. Dat is wat zo’n gebeurtenis heel duidelijk maakt. Hoe in volstrekte onwetendheid we leven. „Weinig begrijpend en dorstend naar kennis,/ zo leefden we,” schreef de Poolse dichter Adam Zagajewski eens. „Als planten die naar het licht/ toe willen, zochten wij naar de gerechtigheid”.

Er is geen gerechtigheid. Er zijn momenten van gerechtigheid en momenten van grote onrechtvaardigheid.

Het verstand kan weinig beginnen met dit alles.

Ik staar naar buiten. Schrille kleuren van het voorjaar, ze vloeken bij elkaar denk ik, kan de natuur eigenlijk wel vloeken? Of is het de tuinier, in casu ik, die dit bewerkstelligd heeft? Mijn moeder belt, ze is haar wifitoegangscode kwijt. Ik krijg op de mail een foto van de boerin verderop met nieuwe lammetjes.

De krant belt: zeg, hoe moeten we ons tot zo’n gebeurtenis verhouden?

Geen idee, zeg ik. Geen idee. En ik denk nog even aan Zagajewski: „Ik begrijp niet alles en ben zelfs/ blij dat de wereld als een onrustige/ oceaan mijn vermogen overstijgt om/ de zin te begrijpen van water, regen/ van zwemmen in het Bakkersmeer”.

Het gewone leven, het bestaat maar door. Onbegrijpelijk. Verschrikkelijk.