‘Een boek is sterker dan wat dan ook’

(30) is na de bestseller ‘De waarheid over de zaak Harry Québert’ een merk geworden. De Zwitserse schrijver maakt zich druk om sufferds die selfies maken.

Sommige boeken zijn wijzer dan hun auteurs. In het geval van Joël Dicker lijkt het omgekeerd te zijn. Het boek van de Baltimores is een lekkere pageturner, waarbij ik mijn potlood voor het aanstrepen van mooie zinnen of originele gedachten niet vaak nodig had. Maar ons gesprek is van een ander kaliber. Bedachtzaam, zijn woorden wegend, precies formulerend geeft Joël Dicker (1985) antwoord in zijn Amsterdamse hotel.

Dicker groeide op in een joods gezin in Genève, bracht zijn zomervakanties door in het Amerikaanse Maine en studeerde rechten. Een kantoorbaan verveelde hem al gauw. Ambitieus? Ja, dat is hij. Van kinds af aan wilde hij schrijver worden en wel een die door zoveel mogelijk mensen gelezen zou worden. Dat is hem gelukt. Miljoenen mensen lazen zijn thriller De waarheid over de zaak Harry Québert. En nu is er zijn net in het Nederlands vertaalde roman Het boek van de Baltimores. Zwitserland koestert hem, hij werd een merk, in één adem genoemd met Roger Federer.

Veel van zijn lezers zijn jong, twintigers, net als zijn personages. Jongeren van nu lijden aan keuzestress, ze zijn opgegroeid met het idee dat het leven maakbaar is, als ze mislukken ligt het aan henzelf. Ze zijn van het internettijdperk, van de selfie en de ‘dikke ik’, ze behoren tot de Facebook-generatie, die pronkend haar stralende foto’s laat zien: ‘Kijk eens hoe knap, succesvol en gelukkig ik ben!’ Dicker: „Dat is echt een van de grote plagen van deze tijd. Je wordt erdoor verpletterd. Nog niet zo lang geleden bewonderden we astronauten, piloten, wetenschappers, grote musici, uitzonderlijke acteurs. Maar niet al die sufferds die nog niets hebben gepresteerd en niets beters weten te doen dan foto’s maken van zichzelf en die online zetten.”

Uw boek draait om het contrast binnen één familie, de rijke, succesvolle Goldmans-uit-Baltimore en de armere Goldmans-uit-Montclair. In het fotoarchief blijken tien jaar te ontbreken, wat betekenisvol blijkt te zijn.

„Tegenwoordig laten de sociale media alles van iedereen zien. Het gaat erom hoeveel likes je hebt, jongeren zoeken een bevestiging van mensen die ze niet kennen. Pas dan besta je. Vroeger maakte je één foto van iemand die je bewonderde en die koesterde je. Nu worden al die foto’s gebruikt om te laten zien dat je bestaat. Kijk eens wat ik doe en jij niet! Het is een illusie. Het verhoudt zich nergens toe, het is een luchtspiegeling. De bioscoop is de enige plek waar mensen niet steeds op hun iPhone kijken. Eigenlijk zijn mensen altijd ergens anders dan waar ze zijn, dat is niet erg leuk.”

Op de cover van uw boek staat een foto die zo op Facebook kan: een grote Amerikaanse villa, waar ‘well to do’ mensen wonen. Uw roman vertelt ons wat zich daar werkelijk afspeelt, wie er wonen en hoe die levens dramatisch eindigen.

„Het beeld is van karton. In mijn boek wordt een kind gepest, op school, maar tegenwoordig is het eigenlijke pesten virtueel. Alles gaat via internet. Kinderen hebben al heel jong toegang tot gewelddadige porno, jongeren plegen zelfmoord als er gedreigd wordt compromitterende foto’s openbaar te maken.”

Hoe gaat u zelf om met het contrast tussen de echte en de virtuele wereld?

„Ik navigeer tussen twee werelden die voor mij niet onverenigbaar zijn. Die van de film, de bioscoop, de literatuur en de wetenschap kan enorm vergroot en verbreed worden dankzij sociale media. Je kunt astronauten in hun capsule vragen hoe het is als ze hun tanden poetsen. Dat is geweldig. Tegelijkertijd zie ik de gevaren van die media. Zo hou ik niet van e-books. Ik zie de macht van webshops als Amazon, en vind dat je de boekhandel moet beschermen. Maar het is natuurlijk geweldig toegang te hebben tot digitale teksten die je anders niet zou kunnen lezen.

„Waar het misgaat is in de opvoeding en het onderwijs. Als ik hoor dat Zwitserland en Frankrijk de lessen Latijn en Grieks willen afschaffen, dan geef je een deel van ons erfgoed op. Alsof je je benen afhakt. Je weet dan niet meer waar je uit voortkomt, wie je bent. Als je weet wat voor rol de Grieken in Europa hebben gespeeld, ben je veel minder onzeker over je afkomst. Al die jongeren die op jihad gaan worden via internet met rotzooi overspoeld. Ze beschikken niet over relevante kennis, vragen zich niet af of het allemaal wel zo is als het hun wordt voorgespiegeld. We moeten hen onderwijzen, ze moeten kennis vergaren.”

Uw boek draait ook om het hebben van dromen, om ‘the American Dream’.

„Dromen zijn de motor van ons leven. Het is niet belangrijk om die dromen in vervulling te laten gaan, maar ze duwen ons in een richting, zetten onze verbeelding aan het werk. Oscar Wilde zei dat je dromen moet hebben die groot genoeg zijn, zodat je ze niet uit het oog verliest als je ze achterna jaagt. Mijn droom? Ik heb er zoveel. Boeken schrijven, beren zien in de vrije natuur, een groot vliegtuig besturen. De droom is een middel om een andere afslag te nemen.”

Een van uw personages, een filmproducent, zegt dat boeken passé zijn. Satire?

„Ja, hij zegt ook dat de televisie ons aanzet tot het eten van pizza’s, cola en magnetronmaaltijden. Dan zegt die televisie dat we te dik zijn geworden en dat we moeten sporten. Daartoe moeten we van alles kopen. We gaan naar de bioscoop, zien een trailer die zegt dat we sukkels zijn, want we hadden beter die andere film kunnen gaan zien. We zitten in een wereld waarin ons voortdurend wordt verteld dat we sufferds zijn – maar consumeren zullen we.”

Uw boek is ook een portret van Amerika. De familie Goldman is een Amerikaans-joodse familie. U heeft veel tijd in dat land doorgebracht, heeft u dat milieu kunnen observeren?

„Neven van mijn grootouders zijn uit Europa geëmigreerd tijdens de oorlog. Zij zijn inmiddels in de negentig en niet representatief voor de gemiddelde Amerikaan. Mijn personages verzin ik naarmate ik ze nodig heb voor het verhaal. Amerika bestaat uit veel meer getto’s dan je denkt. Kleurlingen worden nog steeds gezien als een bedreiging, dan heb je nog de joden, de Italianen enzovoorts.

„Het gaat slecht met Amerika, kijk alleen al naar die idiote wapenwetgeving. Het is een complex en divers land, met een moeilijk te begrijpen mentaliteit. Ik kom er vaak. De grootte, de ruimte, fascineert me. Ik kom uit Zwitserland, een piepklein landje. Amerika is zo groot dat je een stad kunt verzinnen zonder dat die bestaat. In Zwitserland zou ik dat niet kunnen.

„Amerika loopt altijd een beetje voor op Europa. De grote kwestie daar nu is Apple versus FBI, waarbij Apple weigert de iPhone-gegevens van een van terrorisme verdachte man uit diens telefoon te destilleren. Dat komt hier straks ook. Stel dat er binnenkort een terrorist naar Amsterdam komt en zijn telefoon bevat gegevens die een aanslag kan voorkomen? Reken maar dat er debat komt. Trump president? Daar geloof ik niet in. Hoe kan een volk eerst Obama kiezen en dan Trump. Dat kan niet. Maar het zegt wel iets over de wanhoop van de Amerikanen. Ze geloven niet meer in de politiek.”

Uw romans gaan dwars in tegen de huidige trend in de Franstalige literatuur waarbij de verbeelding steeds meer aan de kant wordt gezet. De lezer vraagt steeds meer ‘echt gebeurd’.

„Ik ben opgegroeid met de Russische literatuur, dat was een openbaring. Ineens ben je in de kou van Moskou, of in een zomerhuis. Dat vind ik in de huidige literatuur steeds minder. Ik mis de grote verhalende roman van vroeger.”

Toch beweegt u zich ook op het vinketouw van feit en fictie. Aan het eind van het boek staan vier van de hoofdpersonen vermeld met geboorte- en sterftejaar.

„Ik wilde de illusie tot het eind vasthouden en de lezer aan het twijfelen brengen, zodat hij denkt ‘is het nu echt of ben ik nu van begin tot eind bedrogen?’ Maar het is fictie en dan moet je als lezer accepteren dat het een spel is.”

Uw boek heeft een erg Amerikaans getoonzet einde, een beetje moralistisch, ‘over the top’ zou je ook kunnen zeggen.

„Het is altijd moeilijk om de grens te vinden tussen te veel zeggen en te weinig. Als je niet genoeg zegt, begrijpt de lezer het niet. Als je te veel zegt, dan denkt de lezer dat je hem niet voor vol aanziet. Ja, op dit punt moet ik nog groeien. Ik heb twee-en-een halfjaar non-stop aan dit boek gewerkt, zonder het aan iemand te laten zien, dan heb je maar één iemand op wie je kunt vertrouwen: jijzelf.”

In uw laatste regel suggereert u dat een boek alles kan herstellen wat in het verleden is misgegaan.

„Een boek kan je genezen. Een boek is sterker dan de film, sterker dan wat dan ook. Boeken hebben een psychotherapeutisch vermogen. Ze nodigen uit tot het leggen van verbanden en projecties, en dat kunnen we alleen zelf doen. Dan kun je jezelf een beetje beter begrijpen. Dat is de kracht van de roman.”