Afzijdigheid is grotere afgang dan een ‘nee’

Thomas von der Dunk hekelt de onwil bij veel politici om datgene te verdedigen waarmee zij destijds instemden.

Het komt regelmatig voor dat ik hoop dat ik ongelijk krijg, en het Oekraïnereferendum is zo’n geval. De laatste cijfers zijn onrustbarend: zoals het er nu naar uitziet, zal dit door de abstinentie van het kabinet in de discussie op een even groot debacle voor de voorstanders uitdraaien als het vorige Europese referendum, dat over de grondwet in 2005. Het nee-kamp staat inmiddels op een voorsprong die amper in te halen valt.

Die totale afzijdigheid vormt voor Nederland misschien nog wel een grotere afgang dan een eventuele zege van het ‘nee’ als zodanig, en heeft vergaande consequenties voor het gezag van Den Haag.

Terecht heeft Juncker het kabinet daarop aangesproken: je mag van elke politicus die indertijd met ‘ja’ heeft ingestemd, verwachten dat hij nu ook voor dat ‘ja’ de boer opgaat. Zeker van de ministers, maar ook van de Kamerleden. De aan 2005 herinnerende zichtbare onwil om dat te doen is desastreus. De leidende Nederlandse politici zullen daardoor zowel binnenlands als buitenlands te boek komen te staan als figuren die niet bereid zijn voor welke overtuiging dan ook te vechten als zo’n gevecht op een nederlaag zou kunnen uitlopen: capitulatie bij voorbaat uit labbekakkerigheid.

Binnenlands, omdat de weigering een eerder genomen besluit tegenover de kiezers te verdedigen, in hun ogen opnieuw de oude regentenmentaliteit zal illustreren, waarbij een politicus niet allereerst volksvertegenwoordiger, maar vooral bestuurder is die – zie nog de mislukte parachuteringspoging van Loek Hermans in Zutphen – het liefst niet via verantwoording aan de burger, maar via het old boys network aan zijn baantje komt. Het versterkt de indruk dat men op het Binnenhof verkiezingen slechts als een noodzakelijk kwaad ziet, dat de daadkrachtige voortgang der dingen vooral niet teveel mag belemmeren. Het versterkt de indruk dat veel politici het, zodra de eigen Kamer- of ministerszetel maar binnen is, beneden hun stand vinden om daarna nog eens tussentijds iets ingewikkelds stem voor stem op de kiezer te moeten bevechten.

Buitenlands, omdat als elke Europese politicus zulk lafhartig duikgedrag zou vertonen – in Brussel omwille van de lieve vrede met de andere lidstaten met iets instemmen en dat dan thuis omwille van de lieve vrede met de meest boze kiezers verzwijgen – Europa nog veel machtelozer tegenover agressieve buurlanden als Poetins Rusland zou komen te staan. En Nederland heeft al niet meer zo’n beste naam wat betreft het met twee tongen spreken – geen geld meer naar de Grieken en zo – en de behoefte om uit commerciële motieven dictatoren te gerieven – gasrotonde en biertoast in Sotsji. Het roept de uitspraak van de Britse ambassadeur over Nederland aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog in herinnering, dat een volk met leiders met zo weinig morele overtuigingskracht niet beter verdiend dan om tot slaven gemaakt te worden. En zeker die leiders verdienen dat dan inderdaad.

Illustratie Ruben L. OppenheimerIllustratie Rubenl. Oppenheimer

Voor die onwil om nu actief tegenover de kiezer te verdedigen waarmee men in de Kamer heeft ingestemd, bestaan vast tal van plausibele verklaringen. Zoals het feit dat het electoraat van de traditionele partijen sterk over de kwestie verdeeld is, zodat politici zich bij een duidelijke stellingname van een deel van de eigen achterban vervreemden. Of dat talloze parlementariërs uit fractiediscipline voor iets gestemd hebben, zonder zelf precies uit te kunnen leggen waarom, omdat zij zich als gevolg van de interne taakverdeling daarmee niet zelf bezig gehouden (kunnen) hebben. Of het gegeven dat een aantal partijen, VVD en CDA vooraan, gewoon tegen het houden van referenda als zodanig is, en daarom niet van zins is om nu voor een ongevraagde campagne uit de comfortabele kamerbankjes op te staan.

‘Holland is not a nation, but a shop’, zo vatte Benjamin Franklin ons pseudo- vrijheidsideaal samen

Maar er wordt nu eenmaal een referendum over Oekraïne gehouden. En dan zullen ook partijen die eigenlijk tegen zo'n referendum zijn hun neus moe ten laten zien om niet af te gaan. Het is een beetje als met de militaire expedities van Nederland de laatste decennia: je kunt wel heel hard roepen dat je tijdens een humanitaire missie’ geen oorlog voeren wilt, maar als de tegenstander met oorlogvoeren reageert, is het gewoon oorlog. En die verlies je, als je dat negeert.

In deze omstandigheden kun je niet volstaan met een stukje in de krant, zoals Jeroen Dijsselbloem eerder deze maand. Of zoals Mark Rutte doet, alleen als ernaar gevraagd wordt plichtmatig uiteenzetten waarom je voor dit associatieverdrag bent, en daarbij wat commerciële voordeeltjes opsommen die herinneren aan zijn Heinekenpromotiepraatje bij de VN. Dan moeten politici inderdaad op zaterdag de marktpleinen op, zoals ze dat ondanks drukke andere besognes wél bij verkiezingen doen, als hun eigen persoonlijke toekomst op het spel staat.

En dan moet je komen met een steekhoudend verhaal, dat verder reikt dan de eigen portemonnee op korte termijn. Dan moet je de blik op een iets verder weg gelegen horizon weten te richten. Op het door Moskou bedreigde zelfbeschikkingsrecht van Oekraïne. Op de morele verplichting op grond van de eigen westerse waarden dit land op haar – zeer moeizame – weg naar democratie en rechtsstaat te steunen. En op de noodzaak nieuwe bondgenoten te vinden in een steeds woeliger wereld die niet bij de ophaalbruggen van Zundert en Zevenaar buiten gehouden kan worden.

Aan zo’n perspectief schort het in Den Haag – en dat vormt een toenemend probleem voor de omgang met welk groot vraagstuk ook, omdat dit tekort de sterk technocratische invalshoek en daarmee intellectuele ondermaatsheid van de politieke kaste illustreert. Politiek is in Nederland in het huidige neoliberale tijdperk tot een economische optelsom gereduceerd, waardoor zowel een geostrategisch als ideologisch verhaal ontbreekt. Indachtig de Uri Rosenthal-doctrine heet op het Binnenhof, speciaal bij de VVD, de EU er vooral te zijn om onze aardappelen wat makkelijker te kunnen verkopen, waarbij ‘vrijheid’ tot ‘vrijhandel’ wordt gereduceerd. „Holland”, zo vatte de grote Amerikaanse staatsman Benjamin Franklin al ruim twee eeuwen geleden ons vaderlandse pseudo-vrijheidsideaal kernachtig samen, „is not a nation, but a shop.”

Het belang van Europa, ook voor Nederland, reikt echter verder dan de Nederlandse kruidenierswinkel, en het wordt hoog tijd dat de toonaangevende Nederlandse politici de moed (her)vinden dat belang duidelijk te maken en daarvoor openlijk op te komen.

Het huidige referendum biedt daarvoor niet alleen een kans, maar maakt dat, gezien de boodschap van benepen introvertheid die van een ‘nee’ aan vriend en vijand uitgaat, urgenter dan ooit.