‘Waarom zo lief voor Castro?’

Carlos Eire, Cubaanse balling in de VS Obama maakt een grote fout, vindt Yale-hoogleraar Carlos Eire. Hij voelt zich onbegrepen in de VS. „Wij bannelingen hebben nu twee vijanden: het Cubaanse regime, en de Amerikaanse regering.”

Muurschildering in Little Havana in Miami, waar Cubanen het straatbeeld bepalen. Foto Ty Wright/Bloomberg

Carlos Eire droomt weer over Cuba. Voor het eerst sinds 1962, toen hij als jongetje van elf zijn geboorteland verliet. Dat jaar besloot Eire dat hij voortaan geen Cubaan meer was, maar Amerikaan. Hij ging zich Charles noemen, in plaats van Carlos. Het ouderlijk huis in Havana, waar hij opgroeide, probeerde hij te vergeten.

Carlos Eire is hoogleraar geschiedenis en godsdienstwetenschap aan Yale University. Met zijn memoires over zijn jeugd, Sneeuw in Havana, in Nederland uitgegeven door Bert Bakker, won hij in 2003 de National Book Award.

„Ik heb gedaan alsof ik niet meer om Cuba gaf”, zegt Eire, nu 65.

„Ik zei altijd: nee hoor, ik hoef niet meer terug. Foto’s wilde ik niet zien. Denken aan mijn ouderlijk huis deprimeerde me.”

Nu zijn de beelden terug. Dat komt door het historische bezoek van president Barack Obama aan Cuba, dat deze maandag officieel begint. Toeristenbureaus prijzen Cuba aan als nieuwe vakantiebestemming: ‘Kom gauw, nu het nog onbedorven is!’. Op tv en in de kranten gaat het over de dooi in de verhoudingen tussen de VS en Cuba, aartsvijanden uit de tijd van Kennedy, de invasie van de Varkensbaai en de rakettencrisis. Eire kan de verleiding niet weerstaan, en googlet zich weer suf naar Cuba-nieuws.

Eire wil aan Cuba ontsnappen, zegt hij. Maar het lukt niet. Een fantasiedroom keert steeds terug. Op een dag keert hij terug. Voor veel geld koopt hij het huis waar hij opgroeide. Alles wat hem nog aan vroeger herinnert, laat hij in het huis staan.

„Dan plaats ik dynamiet, en boem!, ik blaas het hele huis op. Weg met de herinneringen.”

Carlos Eire kwam in 1962, tijdens de hoogtijdagen van de Cubacrisis, naar de Verenigde Staten. Een invasie van anti-Castrorebellen in de Varkensbaai, gesteund door de CIA, was een jaar eerder mislukt. De rakettencrisis van 1962 leidde bijna tot een nucleaire confrontatie tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie.

Cubaanse Amerikanen worden in de VS vaak gezien als egoïstische bastards

In die tijd wist een Amerikaanse geestelijke, Bryan Walsh, in het geheim zo’n 14.000 Cubaanse kinderen per vliegtuig naar de VS te evacueren. Eire was een van de kinderen van deze Operatie Peter Pan. Zijn ouders vreesden een oorlog, en gaven hem uit handen. Alleen zijn moeder heeft ooit nog eens teruggezien.

Nu maakt Eire deel uit van de Cubaans-Amerikaanse gemeenschap van bannelingen, die uit ongeveer een miljoen mensen bestaat. De overgrote meerderheid woont in of rondom Miami, in de zuidelijke staat Florida. In de wijk Little Havana bepalen sigarenwinkels, Cubaanse restaurants en schakende oudere mannen het straatbeeld. Eire raakte door zijn eigen geschiedenis gefascineerd door de belevingswereld van revolutionairen, en ging zich verdiepen in de zestiende-eeuwse Beeldenstorm. Hij is nu een van de bekendste wetenschappers in dat vakgebied.

Zoals veel Cubaanse Amerikanen, met name de ouderen, worstelt Eire met de recente dooi in de verhoudingen tussen zijn geboorteland en zijn nieuwe thuisland. „Cuba is voor Amerikanen Jurassic Park geworden, een tijdmachine”, zegt hij.

„Ze zien het Castro-regime niet langer als vijand, maar als een overblijfsel uit de Koude Oorlog, waar alles hetzelfde is gebleven.”

De vroegere aartsvijand is een excentrieke, maar sympathieke buurman geworden. Volgens een peiling van bureau Gallup heeft 54 procent van de Amerikanen een positief beeld van Cuba. In 1997 was dat nog 10 procent. De overgrote meerderheid van de Amerikanen steunt het beleid van toenadering van de regering-Obama. De Amerikaanse president zelf ziet het als een van de belangrijkste resultaten op buitenlands gebied. De landen hebben hun ambassades heropend, en Obama’s bezoek is het eerste van een Amerikaanse leider sinds 1928.

„En wij dan?”, zegt de kalm pratende Carlos Eire met plotselinge stemverheffing.

„Wij, de bannelingen die niet terug kunnen, hebben nu twee vijanden: het Cubaanse regime, en de Amerikaanse regering. We werden decennialang genegeerd, maar tegenwoordig worden we steeds meer gehaat.”

De Cubaans-Amerikaanse gemeenschap, zegt Eire, hoort nergens echt bij. Amerikanen zien hen als latino’s, zoals migranten uit Mexico of Honduras. „Wat een onzin. Alleen omdat we Spaans spreken. Op Yale moest ik laatst een enquête invullen, over diversiteit nog wel. Als ras werd ik geacht ‘Hispanic’ in te vullen. Dat is veelzeggend over het gebrek aan kennis. Er zijn witte en zwarte latino’s, oorspronkelijke bewoners. Ik heb Europees bloed. We zijn geen ras.”

Politiek nemen veel Cubanen ook een andere positie in dan de meeste migranten uit Latijns-Amerika. Latino’s stemmen meestal Democratisch, maar de Cubanen zijn een stuk conservatiever. Bij de Republikeinse voorverkiezingen meldden zich twee presidentskandidaten met Cubaanse wortels: Marco Rubio en Ted Cruz (die alleen een Cubaanse vader heeft). „Daardoor worden wij Cubanen als een verlengstuk van conservatieven gezien”, zegt Eire. „Laatst zei iemand: ‘O, jij bent tegen gewoon van de Cubaanse maffia’. Ze zien ons als on-Amerikaanse kliek. Maar ik ben soms conservatief, soms progressief. En vele andere Cubanen ook.”

Wat is dan uw grootste bezwaar tegen de dooi tussen de VS en Cuba?

„Het lost niets op. Cuba gaat afschuwelijk met de mensenrechten om. Dat wordt nu beloond. Obama zegt: Cuba verandert toch niet niet, dus kunnen we maar beter een manier vinden om ermee om te gaan. Ik zie dat anders. Het regime loopt op de laatste benen. Hun jongste minister is van mijn leeftijd. Hij had geduld moeten hebben.”

Maar de sancties hebben vooral de levens van Cubanen beïnvloed, en nooit politiek effect gehad.

„Die sancties stelden niks voor. In de jaren negentig zijn die al zo soepel geworden dat Castro’s bewind met gemak kon overleven. Maar als ik daar iets van zei, werd ik gezien als dwarsligger. De haat tegen ons zit diep.”

Waar merkt u dat aan?

„Och, neem alleen al de academische wereld. Een groot deel van mijn collega’s was ooit in de ban van de Cubaanse revolutionairen. Cuba wordt geromantiseerd, zeker in linkse, hoogopgeleide kringen. Iemand zei laatst tegen me: ‘Jij kwam uit een welgestelde familie. Je had ook kunnen blijven, en van Cuba een succes kunnen maken’. Zo zien veel Amerikanen ons, als egoïstische bastards. Daarom fantaseer ik de laatste tijd over het opblazen van mijn ouderlijk huis. Zo kan ik bewijzen dat ik geen egoïst ben. Ik wil niets meer opeisen, ik wil alleen begrepen worden.”

Wilt u ooit nog terug naar Cuba?

„Ten eerste gaat dat niet, want ik ben ooit uitgeroepen tot Vijand van de Natie. Dat was nadat ik mijn memoires over Havana had geschreven. Bovendien: ik heb daar niets meer. Mijn familie is dood, hun bezittingen afgepakt. Hier, in de VS, is nu mijn leven. Ik ben getrouwd, heb twee kinderen.”

Maar in Amerika voelt u zich ook niet helemaal thuis. Toen u ouder werd, veranderde u uw voornaam weer van Charles naar Carlos.

„Kijk naar de Cubanen in Miami. Het zijn er honderdduizenden, die daar vastzitten. Miami is een grote doos: aan de ene kant de oceaan, aan de andere kant een enorm natuurgebied. Je kunt geen kant op. Dat is symbolisch voor mijn gemeenschap, die is sterk naar binnen gekeerd.”

Jonge Cubaanse Amerikanen zeggen vaak dat ze nieuwsgierig zijn naar Cuba, en graag terugwillen.

„Ja. Het verandert razendsnel. De pijn van mijn generatie voelen de jongeren niet. Ze denken zoals de Amerikanen denken. Ik kan dat niet, net als de honderdduizenden van mijn generatie. Ze vragen me weleens: ben je dan niet nieuwsgierig? Af en toe nemen toeristen die mijn boek hebben gelezen foto’s van mijn ouderlijk huis in Havana. Die sturen ze dan op. Ik wil ze niet zien, het is te pijnlijk.”