Vergeet dat lijk, let vooral op de zee

Een schrijver van bijna zestig reist naar een Deense mini-archipel om er later een boek over te boetseren. Daar gebeurt van alles – moord en zo – maar het gaat Atte Jongstra om iets dat veel en veel groter is.

Tekening Paul van der Steen

De laatste tijd lezen we regelmatig over pensioenfondsen die door de economische crisis en de bijbehorende lage rente in de verdrukking komen. Met alle financiële narigheid van dien voor de pensioengerechtigden. Ook schrijvers hebben het, pensioentechnisch, niet altijd gemakkelijk.

Atte Jongstra laat in zijn nieuwe roman, Aan open zee, een schrijver aan het woord die bijna zestig is, net als hijzelf. Vervroegd uittreden zit er voor Axel Borg niet in, omdat hij met zijn boeken te weinig reserve heeft opgebouwd. ‘Er was geen verzorgde oude dag’. En een alternatief is er niet: ‘Hij kon een beetje timmeren […]. Verder kon hij niets.’ De conclusie is duidelijk: ‘Zat niks anders op dan een Werk te schrijven.’ Axel reist af naar de Deense mini-archipel Ertholmen, een paar stipjes in de Oostzee, vlakbij Bornholm. Daar hoopt hij dat nieuwe Werk van de grond te krijgen.

Op de eilandjes Frederiksø en Christiansø, waar maar 92 mensen wonen, wil hij als ‘onbetrokken omstander’ rondkijken en noteren wat hij zoal ziet. Tegelijk weet hij dat de goed geformuleerde waarneming minder gewaardeerd wordt dan vroeger. Men wil beelden, en zo weinig mogelijk woorden. ‘Niks beschrijven, actie!’

De roman kan dan, Jongstra en zijn eerdere Werken kennende, twee kanten op. Of er gebeurt helemaal niets en de lol zit erin om dat niets met veel brille en vermakelijke details aan te kleden. Of er gebeurt juist zoveel, met zoveel brille en vermakelijke details aangekleed, dat de lezer de greep op de gebeurtenissen enigszins dreigt kwijt te raken.

In de eerste honderd bladzijden is nog niet meteen te zien waar we op af koersen. Jongstra neemt de tijd om zijn romanfiguren te introduceren. In korte, aantrekkelijke episodes maken we kennis met de schrijver Axel, met een predikant die alleen maar paarse groenten kweekt, met een wanhopige visser, met een politiecommissaris die op non-actief is gesteld en met een hitsige Française, met wie het niet goed af zal lopen.

In die honderd bladzijden wordt de spanning langzaam opgevoerd. De commissaris verveelt zich en speurt onvermoeibaar naar aanwijzingen voor een perfect uitgevoerd misdaadgeval, waarin hij nog een keer kan vlammen. Hellingbaas Mikkelsen ziet de troebele zee en de hele wereld reddeloos ‘naar de gallemiezen’ gaan. En ook visser Rasmussen, die steeds meer moeite moet doen om met zijn schip door de golven te ‘ploegen’ en aan kabeljauw te komen, ziet het somber in. De laatste vissen die hij vangt, zien er raar bruinig uit en bij het fileren brandt hij zijn hand, maar hij levert zijn vangst toch maar af bij het pension, dat deze ‘verse vis’ meteen op het menu zet. De gevolgen blijven niet uit.

Zelfmoord?

Het zal niemand verbazen dat er op zeker moment een lichaam in zee gevonden wordt. Een half mannenlichaam, met rossig stekelhaar, in maatpak. Later wordt er nog een scheenbeen gevonden. Schipper Friis brengt de romp aan wal en waarschuwt de commissaris. Zelfmoord? Of moord met voorbedachten rade zoals de commissaris zo graag wil? Hij steekt een bewijsstuk, een briefje met ‘einde’ erop, voor alle zekerheid in eigen zak. In de resterende 170 bladzijden volgen nog een gijzeling, twee lijken en enkele verdwijningen en moet de recherche van Kopenhagen meer dan eens uitrukken om bijstand te verlenen en orde op zaken te stellen.

Toch voel ik aan mijn water dat het in Aan open zee helemaal niet gaat om dat halve lijk dat uit de zee wordt opgevist, ook al gaan alle gesprekken aan de toog daarover. Ook denk ik niet dat het hier draait om de liefde die nogal abrupt opbloeit tussen schrijver Axel en verpleegster Mette. Zelf houdt Jongstra’s alter ego zich op de vlakte als hij het heeft over ‘de baaierd aan stukken en brokken’ die hij intussen aan zijn uitgever heeft gestuurd ter lezing. Hij vindt dat anderen maar moeten vaststellen wat de waarde ervan is. ‘Is het wel een roman?’ vraagt de uitgever zich bezorgd af.

Jongstra houdt zich, samen met zijn hoofdpersoon, welbewust van de domme. Op het eerste gezicht zien wij een onderhoudende eilandroman, met spannende verwikkelingen, enkele doden, veel drankovergoten gesprekken, en een paar smeuïge seksscènes. Maar tegelijkertijd ontvouwt zich voor onze ogen een huiveringwekkend anti-reisverhaal. Aan open zee is een heuse, zij het ook wat tegendraadse Scandinavische thriller. Het gaat niet om de vraag wie het heeft gedaan, maar of we er nog iets aan kunnen doen. Hoe valt een enorme milieuramp nog af te wenden?

De Oostzee: modderig en drabbig

In Jongstra’s jongste Werk zien we vooral één reusachtig lijk drijven: dat van de Oostzee die aan negen Europese landen grenst. Deze zee wordt onveranderlijk negatief getypeerd als ‘een ruïne’, als een modderige, klonterige, drabbige, slijmerige soep waar nauwelijks doorheen te komen valt, als een olie- en gifbelt waarin vissen allang niet meer gedijen. Ooit was deze zee, aldus Jongstra, ‘een eindeloos deinende en levende almoeder’, voordat zij haar huidige ‘halfvergane, stinkende rimpelhuid’ kreeg.

De Oostzee geldt inmiddels als de meest vervuilde zee ter wereld. Op de bodem ervan liggen tonnen aan chemische wapens die er na de Tweede Wereldoorlog zijn gedumpt, en waarvan een deel inmiddels is gaan lekken. Je zou kunnen zeggen dat Jongstra het hier opneemt voor de sneue bewoners van Ertholmen die in de Oostzee hun levens proberen te rekken, al zal zijn roman het toerisme niet speciaal bevorderen.

In zijn vorige boek, de echtscheidingsroman, Worst, brak Jongstra nog een lans voor bloedworst, beuling, knakworst en zure zult. Wie Aan open zee heeft gelezen, zal zich gealarmeerd voelen en hoeft voorlopig even geen vis meer op het menu.