Column

Uit eten

We gingen uit eten. Altijd veelbelovend. Je hoeft niet zelf te koken, je eet gerechten die te lastig zijn om zelf vaak te bereiden, je kunt je volledig ontspannen want alles wordt voor je gedaan. Heerlijk!

Ik kreeg er vooral zin in toen ik langs een restaurant liep dat op een bord aan de gevel een gerecht met konijn aanprees. Dat had ik al zo lang niet meer gegeten dat ik de smaak bijna vergeten was.

Enkele dagen later was het zover. Ik boog me over de menukaart, inspecteerde een bord aan de wand, en wat daar ook huppelde – geen konijn. „Dat is net van de kaart gehaald”, zei de serveerster. Kleine tegenvaller, maar nog geen man overboord. Wij namen als voorgerecht ieder de carpaccio, de andere voorgerechten trokken ons niet zo. Eigenlijk moet je ieder een ander voorgerecht kiezen om bij een eventuele teleurstelling stiekem wat te kunnen uitwisselen.

Voor het hoofdgerecht koos ik de lamsschouder, mijn vrouw de kabeljauw. Ik begrijp en aanvaard dat de vegetariërs, en zeker de veganisten, onder de lezers nu beginnen af te haken, als ze dat al niet gedaan hadden bij het konijn. Ik zou daar graag op willen ingaan, maar er is geen tijd meer voor, want daar staan de dampende schotels al voor ons.

Wat kenmerkt de gemiddelde restaurantganger? Vergaande welwillendheid, denk ik. Hij is gekomen om te genieten en hij zál genieten – als het even kan. Ook als de eerste happen tegenvallen, denkt hij onwillekeurig: even doorzetten, dan komt alles toch nog goed. Je moet een zekere innerlijke weerstand overwinnen om tegenover jezelf en je eetgenoot toe te geven dat je er iets meer van had verwacht.

Ik houd erg van lamsvlees, maar het moet wel zacht en smeuïg zijn. Dit lamsvlees toonde zich bij de eerste kennismaking droog en taai. Ik beet plichtbewust door en kwam bij enkele sappiger deeltjes terecht, maar juist toen ik daarvan wilde gaan genieten waren ze alweer op. Ik keek naar een grimmig, naakt bot dat zich als een rotsblok op mijn bord verhief. Peinzend proefde ik van de frites die ik in plaats van puree besteld had. De frites paste uitstekend bij deze lamsschouder: even dor.

Mijn vrouw keek op van haar kabeljauw. „Lekker?” vroeg ze. Ik mompelde wat, want je wilt geen snelle spelbreker zijn. „De huid van mijn kabeljauw is aangebrand”, wees ze terwijl ze het vel opzij schoof. „Maar de smaak is verder wel redelijk.”

We beraadslaagden even. Moesten we er wat van zeggen, of niet? We hadden er niet veel zin in, het leverde zelden iets op. Welke restauranthouder geeft toe dat hij gefaald heeft? Toch liet ik iets van onze ontevredenheid blijken: „De frites was melig.” De serveerster keek verbaasd naar het halfvolle mandje. „Sommige mensen vinden het zó juist lekker”, zei ze.

We betaalden 90 euro – veel geld voor twee geslaagde carpaccio’s.

Op de terugweg liep een ouder echtpaar voor ons, ze kwamen uit een ander restaurant. „Honderd euro”, zei de vrouw, „en de voorgerechten waren al slecht.”

Vreemd is dat. We doen alles om onze eetcultuur te verfijnen door middel van allerlei kookboeken en kookrubrieken en restaurantrecensies in de media, maar de kans op een geslaagd restaurantbezoek is nog altijd niet hoger dan, mild geschat, vijftig procent. Meteorologisch gesproken: op je bordje kan het vriezen en dooien.