Rechters komen niet van een andere planeet

Het was niet slim bekend te maken dat de drie rechters in de zaak Wilders geen lid zijn van een politieke partij, schrijft Gerard Spong.

Het meest opvallende van het strafproces Wilders II is de angst van de rechtbank. Die angst uit zich in talloze maatregelen die een gewoon burger in de verdachtenbank niet ten deel vallen. Een exorbitante hoeveelheid zittingsdagen, de beslissing en bekendmaking dat de drie rechters geen lid van een politieke partij zijn en de ongebruikelijk lange termijn van drie weken om over een aantal onderzoekswensen van de verdediging te beslissen. Meestal wordt zo’n beslissing binnen een paar uur of in het uiterste geval binnen veertien dagen genomen.

Eén van deze maatregelen, de neutralisering van de politieke factor, heeft al gefaald. Want Wilders verzocht één van de rechters, Eliane van Rens, zich te verschonen omdat zij zich in het tv-programma Kijken in de ziel - rechters had laten ontvallen dat de partijpolitieke standpunten van de PVV inzake immigratie niet de hare waren en verder dat zij de wrakingsbeslissing in Wilders’ vorige zaak juridisch onjuist achtte. Het was een fundamenteel onjuiste beslissing om nadrukkelijk bekend te maken dat drie politiek ongebonden rechters op de zaak waren gezet. Dat zij geen lid zijn van een politieke partij impliceert immers niet dat zij er geen politieke opvattingen op na houden. Rechters komen niet van een andere planeet. Ook wordt hiermee de vaste rechtspraak van de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens miskend. Die houdt in dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren dat een rechter jegens een verdachte vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. De genoemde uitspraken van Van Rens en de politieke functie van de verdachte vallen mijns inziens niet als zulke uitzonderlijke omstandigheden aan te merken. Net zomin als een ongelovige verdachte van religieuze belediging kan eisen dat op voorhand bekend wordt gemaakt dat zijn rechters religieus ongebonden zijn. De nadrukkelijke neutralisering van de politieke factor door het bestuur van de rechtbank draagt bovendien het gevaar van precedentwerking in zich. Zo zou een verdachte coffeeshophouder kunnen eisen niet door CDA-rechters te worden berecht, omdat het CDA-standpunt dat alle coffeeshops uit Nederland moeten verdwijnen, die rechters vooringenomen zou maken. Marokkaanse verdachten zouden vanaf heden wel eens met de standaardeis kunnen komen dat rechters met PVV-sympathieën zich in hun zaak verschonen. Rechter Van Rens doet er dus verstandig aan niet te bezwijken voor Wilders’ impliciete dreiging met een wrakingsverzoek indien zij zich niet verschoont.

Opvallend was verder dat de regiezitting voortreffelijk geregisseerd leek door de verdediging. Het is goed dat naar de gehackte of gelekte pleitnota van mr. Knoops onderzoek wordt ingesteld. Het hacken van een computer levert immers computervredebreuk op en dat is een ernstig misdrijf. Zeker als daarmee inbreuk wordt gemaakt op de wettelijk gegarandeerde vertrouwensrelatie tussen een advocaat en zijn cliënt. Maar zolang er geen feiten of omstandigheden aangevoerd worden op grond waarvan aannemelijk is dat het Openbaar Ministerie of opsporingsambtenaren hierbij betrokken zijn, zal de rechter aan dit op zich onverkwikkelijke incident in deze zaak geen processuele gevolgen kunnen verbinden.

Voor zover bekend is ook niet aangetoond dat de verdediging door deze gang van zaken is geschaad. Opmerkelijk is dat de verdediging te elfder ure na veel wapengekletter aankondigde zelf een particulier rechercheonderzoek te entameren in plaats van een opsporingsonderzoek af te wachten. Dat lijkt een verstandige beslissing, omdat zo ook kan worden voorkomen dat voor de verdachte eventueel onwelgevallige onderzoeksresultaten geopenbaard worden.

Juridisch intrigerend was ten slotte het verzoek een aantal contextuele getuigen te horen. Want de context waarin de gewraakte uitlatingen werden gedaan (de toezegging van Wilders te zullen regelen dat er minder Marokkanen komen) is bekend: het waren weloverwogen uitspraken op de avond van de gemeenteraadsverkiezingen 2014 in een bomvol café gevuld met vooraf geïnstrueerde volgelingen.

Dat de uitlatingen een groot politiek draagvlak hebben, zoals de verdediging veronderstelt, lijkt juridisch sinds de pornografierechtspraak van geen belang. In het Chick-arrest (1970) – waarbij een tijdschrifthandelaar werd veroordeeld tot het betalen van 2.000 gulden omdat hij 4.500 exemplaren van het seksblad Chick op voorraad had – oordeelde de Hoge Raad dat bij de vraag wat aanstootgevend voor de eerbaarheid is, gelet moet worden op de bij „een belangrijke meerderheid van het Nederlandse volk” levende opvattingen. Volgens de Hoge Raad is niet beslissend wat de gevoelens zijn van „zeer velen, een aanmerkelijk deel van het Nederlandse volk” en van „vele anderen”. Dit pornografiecriterium, aangevuld met het ‘onverhoedse confrontatie-criterium’, zou ook in de Wilders-zaak wel eens goede diensten kunnen bewijzen. Het gaat hier immers ook om het choquerende aspect. Talloze burgers werden via de media onverhoeds geconfronteerd met de schokkende uitlatingen, terwijl de mogelijkheid dat die door zeer velen of zelfs een aanmerkelijk deel van het Nederlandse volk gedeeld worden, niet doorslaggevend hoeft te zijn. Porno en politiek hebben in het strafrecht zo beschouwd meer met elkaar gemeen dan we ooit voor mogelijk hebben gehouden.