Onontdekt Onbedoeld Ongetraind

Nederland is twee musea voor outsider art rijker, in Amsterdam en Rotterdam. De kunstenaars zijn soms maniakaal, altijd vasthoudend en allemaal volstrekt origineel.

Guo Fengyi, detail (Museum of Everything)

Alsof je zojuist door Alice’ konijnenhol bent getuimeld en in een magisch parallel universum beland bent. Zo voelt het wanneer je binnenstapt in The Museum of Everything, een rondreizende kunstverzameling die nu is neergestreken in de Rotterdamse Kunsthal. Het is een wereld die wel lijkt op die van ons, met schilderijen die aan muren hangen en sculpturen die op voetstukken staan, maar die je toch niet direct herkent. Omdat je de taal van deze beelden niet spreekt, de codes niet ontcijferen kunt.

Een doolhof is het, dit parcours vol gestucte wandjes, donkere tunneltjes en Grieks aandoende poorten. Maar dit is dan ook geen doorsnee museum. Hier wordt, in 27 zalen, een krankzinnige hoeveelheid werken getoond – duizend in totaal – van honderd kunstenaars die buiten het officiële kunstcircuit opereerden of dat nog steeds doen. „We laten kunst zien die door de geschiedenis is vergeten, vanaf 1600 tot nu”, aldus James Brett, de Britse filmmaker die oprichter is van The Museum of Everything.

In zijn verzameling vind je kunst van mijnwerkers en tabaksrollers, van daklozen en dominees, van psychiatrische patiënten en lichamelijk gehandicapten. Door kunsthistorici worden deze autodidacte kunstenaars vaak outsider artists genoemd, maar aan die term heeft Brett een hekel. Hij omschrijft ze liever als „onontdekte, onbedoelde, ongetrainde, en niet geclassificeerde kunstenaars”. In die zin is Brett een activist: „Wij strijden voor het universele recht op vrije beeldende expressie. Iedereen heeft het recht om kunstenaar te zijn en kunst te maken.”

Achter iedere naam zit een verhaal

In The Museum of Everything schuilt achter iedere naam een verbazingwekkend verhaal dat zich zou kunnen lenen voor een Hollywoodfilm. Neem het tekstbordje bij de microscopische zwart-witfoto’s van sneeuwvlokken, begin twintigste eeuw gemaakt door Wilson ‘Snowflake’ Bentley (1865-1931) uit het Amerikaanse dorpje Jericho. Daarop staat: „Micropionier en ondernemende boer uit Vermont die zich met zijn leger van 5.000 vereeuwigde sneeuwkristallen toch niet wist te beschermen tegen de onfortuinlijke sneeuwstorm en alsnog bevroor.”

Of lees de toelichting bij de vitrine van James Castle (1899-1977) uit Garden Valley, Idaho, die met gevonden materialen aandoenlijke beeldjes en boekjes maakte over zijn leven op het platteland: „Talentvolle kunstenaar die niet kon lezen, schrijven, horen noch gebarentaal eigen was, maar via tekeningen en constructies van roet, speeksel en touw zijn innerlijke leven liet spreken.” Castle wist niets van de mechanismen van de kunstwereld, en stelde zijn werk pas op zijn 56ste voor het eerst tentoon. Net als veel andere outsiders werd hij pas na zijn dood ontdekt. In 2008 kreeg Castle een groot retrospectief in The Philadelphia Museum of Art, in 2013 was zijn werk te zien op de Biënnale van Venetië, op de tentoonstelling The Encyclopedic Palace.

Lange tijd werden dit soort creatieve uitingen van excentriekelingen en zonderlingen buiten de muren van de gevestigde musea gehouden. Ze werden getoond in gespecialiseerde psychiatrische musea, zoals Het Dolhuys in Haarlem of Dr. Guislain in Gent. Soms waren er wel kunstmusea die outsiderkunst aankochten – het Stedelijk Museum bezit bijvoorbeeld tekeningen van Willem van Genk – maar die werken kwamen de depots zelden uit. In dat opzicht betekende de door Massimiliano Gioni samengestelde Biënnale van 2013, waar talloze werken van outsider artists te zien waren, een belangrijke mijlpaal.

Sindsdien is de belangstelling voor deze kunstvorm explosief gegroeid. Een andere historische doorbraak volgde een jaar later, in de zomer van 2014, toen het Metropolitan Museum zijn collectie moderne kunst herschikte onder de noemer Reimagining Modernism. Volkskunst van outsiders als Grandma Moses en Horace Pippin wordt in New York nu getoond tussen de gecanoniseerde meesterwerken van Hopper, Kandinsky en Picasso.

Vanaf vandaag heeft ook Nederland een vaste plek voor outsiderkunst. Dit nieuwe Outsider Art Museum heeft onderdak gevonden in de Hermitage Amsterdam en toont actuele kunst uit de collectie van Het Dolhuys. Met zo’n honderd werken van vijftig – voornamelijk Nederlandse en Japanse – kunstenaars is dit museum vele malen kleiner dan The Museum of Everything. Het oogt ook klassieker, met museale vitrines en nette tekstbordjes waar keurig de technieken en de jaartallen op vermeld staan. Waar in Rotterdam de chaos regeert en de waanzin aanstekelijk werkt, wordt de outsiderkunst in Amsterdam in een strak keurslijf gedwongen.

Zijn er stromingen of stijlperiodes?

Beide musea laten de kunst voor zichzelf spreken. Het is aan de toeschouwer om op eigen houtje op ontdekkingstocht te gaan en zich te laten verbazen door zoveel ideeënrijkdom en wonderschone beelden. Maar van een museum verwacht je ook een zekere vorm van rubricering of duiding. Zouden er stromingen te ontdekken zijn, stijlperiodes of geografische lijnen? Het Outsider Art Museum roept dat soort vragen wel op in de zaalteksten (‘Hoe verklaren we de soms treffende overeenkomsten tussen werk uit heel verschillende culturen?’) maar de antwoorden blijven uit.

Veel werk is duister en doorwerkt, met potloodlijnen die hard in het papier zijn gekrast. Er lijkt frustratie te schuilen achter de zwarte monsters van de Iraanse automonteur en analfabeet Davood Koochaki. En er zit woede in de film-noirachtige stripverhalen van Dominique Théate uit Luik, een kunstenaar die op zijn achttiende een zwaar motorongeluk kreeg en opnieuw moest leren praten, schrijven en tekenen. Maar daartegenover staat dan weer werk dat extreem kleurrijk en bijna manisch vrolijk oogt, zoals de worstelaars van de Japanse vechtsportfanaat Tomoyuki Shinki of de tropische potloodparadijzen van de jonge Nederlandse kunstenaar Jeroen Pomp.

Er zijn diverse kunstenaars die een obsessie hebben met God, of met hun ouders. Veel tekeningen en beelden wijzen op een gefrustreerd seksleven. Naakte vrouwen, maar ook poppen, komen in allerlei soorten en maten voor. Monsters en fantasiewezens, ufo’s en buitenaards leven, futuristisch wapentuig en moderne metropolen zijn geliefde thema’s. En opvallend veel kunstenaars zijn gefascineerd door reizen en vervoermiddelen. Steeds is er de wens om weg te vliegen, misschien wel juist omdat hun eigen wereld zo klein, zo geïsoleerd is. Zo tekende de Nederlander Lionel Plak ingewikkelde treinnetwerken die hem op papier uiteindelijk tot aan Kiev brengen.

Maar hoe verschillend ook: iedere keer voel je de intensiteit waarmee het kunstwerk gemaakt is. Deze kunstenaars zijn soms maniakaal, altijd vasthoudend en allemaal volstrekt origineel. „Hun binnenwereld is vaak zo vol dat deze overstroomt”, zegt Dolhuys-directeur Hans Looijen. „Hun visies zijn onverbiddelijk.” Het is volgens Looijen de verklaring van het recente succes van outsiderkunst. „Deze kunstenaars vormen een tegengeluid tegen de krachtpatserskunst van Jeff Koons of Damien Hirst. En het museumpubliek houdt wel van een persoonlijke narratief. Waar komt creativiteit vandaan? Ook in de gevestigde kunstwereld is dat nu een heel actuele vraag.”

Wanneer houd je op een outsider te zijn? James Brett en Massimiliano Gioni hebben aangetoond dat werk van ongeschoolde kunstenaars zich kan meten met dat van gearriveerde namen. Ze hadden alleen iemand nodig die voor hen opkwam.

Outsider Art Museum. Vanaf 17 maart in de Hermitage, Amstel 51, Amsterdam. Zie: outsiderartmuseum.nl