Nooit meer in bikini. Geen gezin. Geen seks

(51) koos ervoor non te worden in een tijd dat dat al niet meer gewoon was. Ze werd verliefd op het kloosterleven. Maar toen werd ze verliefd op Jan Willem.

Foto Merlijn Daleman

A

nja den Bok (51) groeide op in Zuid-Limburg, in een tijd dat vaders nog in de mijnen werkten en moeders hun kinderen leerden bidden voor het slapengaan. Een wereld waarin mensen trouwden als ze jong waren en bij elkaar bleven tot de dood hen scheidde.

Dat alles zomaar opeens kon veranderen – het kwam niet in haar op. Tot ze dertien werd.

„Het ging niet goed met mijn moeder”, zegt ze. „Op een nacht, ik kon niet slapen, kwam ik haar tegen in de badkamer. Ze huilde. Wat is er? Niks, hoor. Jawel, er is wel wat, wat is er? Ik heb ruzie met pap. Ruzie met pap? Daarna kon ik helemaal niet meer slapen. Mijn vader was nog niet thuis, hij zat in zijn vrije tijd bij de padvinderij en hij was vaak weg. Om vijf uur in de ochtend hoorde ik hem binnenkomen. En toen heb ik op de trap hun gesprek zitten afluisteren.”

Zij: ‘Er is een ander, hè?’

Hij: ‘Ja.’

De week daarna zag ze haar vader de deur uitgaan, in zijn beste pak, geurend naar after shave. Hij ging een paar weken weg om na te denken. Maar ze wist: die komt nooit meer terug. Boos was ze. Boos, boos, boos. Op hem – ze was altijd zijn lieveling geweest, hij had haar eindeloos veel over de natuur geleerd – en op de nieuwe vrouw, die nog maar 23 was, en blond, en een beetje mollig. Het duurde tot haar vijftiende voordat ze zich ertoe kon zetten om tegen haar te praten. Dat was meteen de laatste keer.

„Ik kwam thuis van een slaapfeestje met vriendinnen”, zegt ze. „Ik was die dag jarig. Iedereen deed opgewekt, maar ik voelde dat er wat was. Mijn moeder gaf me een zoen en duwde me een cadeau in mijn handen.” Een lp van Blondie. „En toen zei ze dat pap dood was.” Onderweg naar haar verjaardag was hij met de auto van de snelweg af geraakt. Niemand mocht hem daarna nog zien, zo ernstig was hij toegetakeld.

Anja den Bok is niet iemand die snel het woord ‘trauma’ in de mond neemt. Maar voeg bij het bovenstaande de scoliose die zich intussen geopenbaard had, een S-vormige vergroeiing van de ruggengraat, plus een stiefvader die geen kinderen gewend was – „als je de kraan had opengedraaid om je handen te wassen moest je daarna alle druppels wegvegen, o wee als er eentje was blijven liggen” – en je kunt je voorstellen dat ze de middag na de dood van haar vader razend van woede en verdriet door de heuvels rond Voerendaal fietste, en plotseling de stem van God hoorde. „Niet galmend uit de hemel of zo”, zegt ze. „Gewoon in mijn binnenste.” En die stem zei? „Je bent niet alleen. Ik zal altijd je Vader zijn.”

Een paar maanden later was het roepingenzondag – een mis waarin jonge mensen bij zichzelf nagaan of ze hun leven in dienst van God en de kerk willen stellen – en toen wist ze wat ze wilde: non worden. „Het idee dat ik iets heel anders zou kiezen dan mijn vriendinnen en de chaos achter me kon laten sprak me enorm aan. Ik werd gegrepen door wat de pastoor in Jezus’ naam zei: ‘Ga weg, verkoop alles wat je bezit, kom dan terug en volg Mij.’ Niet piepen, niet mauwen. Radicaal.”

Maar het was wel 1979. Ook in Zuid- Limburg was het ongewoon geworden dat een meisje voor het klooster koos. En nu ze zelf moeder van twee dochters is, vijftien en twaalf, begrijpt ze waarom haar moeder zich rot schrok. „Ze reageerde nog tamelijk rustig. Ik moest wachten tot mijn eenentwintigste en er eerst maar eens achter komen wat er in de wereld te koop was.”

Vier jaar lang was het school (havo), uitgaan, muziek, kleren en vriendjes. Ze ging als au pair naar Zuid-Frankrijk. En daarna wilde ze nog steeds non worden. „Als ik in die jaren iemand als Jan Willem was tegengekomen, was het misschien wel anders gelopen”, zegt ze. „Maar dat was niet zo.”

Jan Willem is de man met wie ze uiteindelijk op haar vijfendertigste getrouwd is.

Op haar negentiende deed ze een sociaal diaconaal jaar bij de Zusters Augustinessen in Sittard: meehelpen in de opvang van dakloze vrouwen en kinderen. De saamhorigheid, de dienstbaarheid, de geborgenheid, de vanzelfsprekende eenvoud – Anja den Bok werd verliefd op het leven daar.

Zo zegt ze het: verliefd. Ze had er alles voor over om erbij te mogen horen. Geen alledaagse vrijheid meer. Nooit meer een spijkerbroek aan. Niet in bikini op het strand liggen. Geen gezin. Geen seks.

Een half jaar na haar eenentwintigste trad ze in. Ze kreeg een habijt aangemeten en alles wat ze meenam, paste in een klein wit koffertje. Beddegoed, kousen, degelijk ondergoed. Het kruisje dat de pastoor haar had geschonken. Een bijbel. Schrijfgerei. Foto’s. Naar huis bellen mocht niet meer. Haar moeder mocht háár bellen, als er wat was.

De eerste dag meldde ze zich in het klooster van de Augustinessen in Hilversum. Onderweg daarheen, tussen de donkere beuken van de oprijlaan, sloeg voor het eerst de twijfel toe. Waar begon ze aan? Wat voor een absurd leven ging ze tegemoet? Toen hoorde ze weer die stem. ‘Je bent niet alleen. Ik zal er altijd zijn.’

Op de ochtend voordat ze haar Eeuwige Geloften zou doen, zeven jaar later, sloeg de twijfel nog harder toe. Ze kreeg haar ontbijt op haar kamer, een beschuit en een eitje, maar onder de blijdschap voelde ze een diepe angst. Toch lag ze een paar uur later plat op de grond voor het kruis van Jezus, gekleed als bruid, bloemen in het haar, de armen voor haar borst, als teken van haar volledige overgave.

Ze woonde in de binnensteden van Utrecht en Amsterdam, waar de Augustinessen ook kloosters hebben. Ze kookte voor zwervers en drugsverslaafden. Ze hielp ouden van dagen. Ze haalde aan het eind van de dag het onverkochte brood bij de bakkers op en deelde het uit aan wie het nodig had. Ze hield, zegt ze, van haar werk.

Wat haar opbrak, waren de vaak onbegrijpelijke leefregels waar ze zich aan diende te houden, de eenzaamheid, de taken binnenshuis. De meeste nonnen waren te oud om nog lichamelijk werk te doen en dus kwam het op de jongeren neer. En dat waren er maar een paar. „Zulke pannen met aardappelen”, zegt ze, haar handen een halve meter uit elkaar. „En dan het wasgoed dat uit alle kloosters naar ons toe kwam, zakken vol, veel te zwaar.”

Jan Willem leerde ze kennen toen ze in Utrecht een kinderclub leidde en bij de studentenvereniging aan de overkant van de Oudegracht om vrijwilligers had gevraagd. Hij studeerde theologie en was van Nederlands gereformeerde huize. Zij vond dat hij mooie krullen had. Hij vond haar ogen mooi, en zei dat ook tegen haar. Binnen een paar weken waren ze smoorverliefd. „Maar hij is niet de oorzaak van mijn uittreding geweest”, zegt ze. „Hij was de katalysator.”

Eerst heeft ze nog op advies van haar overste een jaar lang geprobeerd haar gevoelens weg te drukken. „En dat lukte ook wel. Alleen was toen alles weg. Geen enkel gevoel meer. Dat was een openbaring voor me. Dat je de chaos wel kunt overwinnen, maar dat je dan niets overhoudt.”

Na dat jaar kwam ze hem toevallig drie keer in één week tegen, op het station en op straat. De derde keer vertelde ze dat ze drie maanden buiten het klooster ging wonen, om na te denken. „Hij zei: dat is een wonder, Johanna Maria.” Haar kloosternaam.

Ze lacht bij de herinnering aan het eerste bezoek aan Jan Willems ouders. „Die zagen hun zoon aankomen met een vriendin die tien jaar ouder was en katholiek. Een uitgetreden non. Maar ze deden normaal tegen me. Ik was welkom.”

Het duurde drie jaar voordat ze durfde te trouwen, want wat was de waarde van haar ‘ja’? Hoe kon ze weer een gelofte doen als ze die andere had verbroken? „Het voelde alsof ik van de zusters gescheiden was”, zegt ze. „En nu ik het heb meegemaakt, heb ik begrip gekregen voor mijn vader.”

Na het klooster is ze verpleegkundige geworden, al kan ze sinds twee jaar niet meer werken door de scoliose. Met Jan Willem en de meisjes is ze lid van de Kerk van de Nazarener.