Matthäus van Ivor Bolton mist subtiliteit en sensualiteit

Passies zijn er in vele soorten. De ideale uitvoering blijft een fantasie, of beter: een mix van talloze eerder gehoorde uitvoeringen. Bij het Concertgebouworkest werd de Matthäus dit jaar geleid door Ivor Bolton – hier bekender van zijn werk voor De Nat. Opera dan van één eerder optreden bij het KCO.

Bolton, o.a. chef van het Teatro Real in Madrid, dirigeert met grote gebaren. Zijn visie bleek vrij grofstoffelijk: twee koren van 21 zangers brachten massa in de turbae en een suggestie van gemeentezang in de koralen, maar vertroebelden ook retorische figuren. Bolton stelde – fluks doordirigererend, cesuren mijdend – het theatrale centraal, maar liet aldoende veel subtiliteit liggen. Als Jezus’ Blut des neuen Testaments elke vloeibare sensualiteit ontbeert, dan mist er iets.

Momenten van vervoering waren veelal individuele initiatieven: de soli van hoboïst Ogrintchouk en concertmeester Prunaru. Bij Bolton was het zoemende kernkoraal Wenn ich einmal soll scheiden (na Christus’ dood) hét moment van verstilling – wat van de weeromstuit gemaniëreerd aandeed.

In de solistische bezetting maakte sopraan Carolyn Sampson indruk door straalkracht. Evangelist James Gilchrist, herstellende van een infectie, had tot Judas’ kus nodig om warm te draaien, maar zong toen met veel invoelende vertelkracht. Prachtig: de gloedvolle kracht van het Nationaal Kinderkoor in O Mensch. Volgend jaar brengt het KCO weer moderne passiemuziek, dan met twee nieuwe opdrachtwerken.

    • Mischa Spel