Buurtgenoten controleren? Nee dus

Uitkeringen? Die geeft Rotterdam niet zomaar. Wie de tegenprestaties moet beoordelen – vaak vrijwilligers – vindt dat meestal niet prettig.

Papier prikken en vegen in Rotterdam, in ruil voor een uitkering. De lokale ombudsman uitte eerder al kritiek op het gebrek aan maatwerk. Foto Robin Utrecht

Extra handen zijn altijd welkom. Er moet geschoffeld worden, onkruid gewied. Het is fijn als iemand limonade schenkt bij activiteiten voor kinderen en koffie bij activiteiten voor ouderen. In Rotterdam moeten mensen met een uitkering en „een grote afstand tot de arbeidsmarkt” een tegenprestatie leveren. Doen ze dat niet, dan gaat hun uitkering omlaag. Dus helpen ze, tot twintig uur per week, bij speeltuin, buurthuis, verzorgingshuis of vrijwilligersorganisatie.

Ook organisaties met alleen vrijwilligers wordt gevraagd deze mensen een contract te geven. Dat bewijst voor de gemeente dat ze de tegenprestatie echt leveren. Hun werk moet dan gecontroleerd worden door ándere vrijwilligers.

Juist dat stuit Marga Vintges tegen de borst. Zij is bestuurslid van een organisatie van wijkbewoners in Rotterdam Feijenoord/Kop van Zuid. „Ik moet dan gaan bijhouden of de tegenprestatievrijwilligers voldoende uren komen. Of ze op tijd zijn, of ze goed werk afleveren. Ik vind dat gek. Ik ben niet werkzaam op de afdeling personeelszaken. Ik ben vrijwilliger.”

Natuurlijk, zegt Vintges, „zijn we blij met extra handen om de wijk leuker te maken”. Maar toen op een bijeenkomst met ambtenaren van de Taskforce Tegenprestatie bleek wat er allemaal bij kwam kijken, gingen haar haren recht overeind staan. „Ik wil niet in de positie zijn dat ik als vrijwilliger mijn eigen buurtgenoten moet controleren en begeleiden, die ik daarna weer bij de Jumbo tegenkom. Ik vind dat principieel onjuist. Bovendien kost het mij als vrijwilliger flink wat extra tijd. Ik moet een contract opstellen, ervoor zorgen dat de afspraken worden nagekomen, de mensen aansturen en begeleiden.”

Vintges ziet mensen die zich geweldig inzetten, maar ook mensen die niet veel zin hebben in hun tegenprestatie. „En dan moet ik de kwaliteit van het werk beoordelen. Moet ik dan de één een handtekening geven en de ander niet? En het is niet symbolisch, het heeft serieuze consequenties voor de uitkering.”

Voorzitter Dick van der Voet van het Jeugdcentrum Feyenoord herkent dit dilemma. Hij heeft ook mensen in zijn organisatie die een tegenprestatie moeten leveren. Ook zijn centrum draait met enkel vrijwilligers. „Je hebt erbij die het hartstikke goed doen. Anderen hebben steeds weer een smoesje. Ziek. Afspraak. Te koud.” Hij geeft iedereen een kans en zorgt dat ze goed begeleid worden, maar weigert rapporten op te maken.

Zelf maakt hij onbezoldigd soms werkweken van zestig uur, hij wil niet nóg meer werk. „Ik kan prima onthouden of ze goed functioneren. Eens per kwartaal heb ik contact met een ambtenaar van de sociale dienst. En dan vertel ik wat mijn indruk is.”

Als iemand het goed doet, zegt Van der Voet, is het nadeel dat hij hem soms snel kwijt is. Dan vindt de gemeente dat diegene een ‘echte’ baan moet zoeken. Want de tegenprestatie is in Rotterdam alleen bedoeld voor „moeilijk bemiddelbaren”.

Als ze mantelzorg verlenen, kan dat ook gelden als tegenprestatie. Bij mensen met enorm veel problemen is de tegenprestatie dat ze gaan werken aan die problemen, door bijvoorbeeld een cursus ‘schuldhulpverlening’ of ‘bewegen’ te volgen.

De woordvoerder van wethouder Maarten Struijvenberg (werkgelegenheid, Leefbaar Rotterdam) relativeert de bezwaren. Hij wijst erop dat niemand verplicht is ‘vrijwilligers met een tegenprestatie’ aan te nemen. En een aantal organisaties heeft beroepskrachten die de begeleiding kunnen verzorgen. Maar inderdaad, erkent hij, bij vrijwilligersorganisaties komt het op vrijwilligers neer. Bij vragen of problemen kan zo’n organisatie altijd nog contact opnemen met een gemeentelijke ‘activeringscoach’.