Begraven vis is oudste vorm van fermentatie

Scandinaviërs maakten oneetbare vis 9.000 jaar geleden al eetbaar door middel van fermentatie.

In Zweden wordt tegenwoordig nog altijd gefermenteerde haring gegeten. Foto Wikipedia/Lapplaender

In Zuidoost-Zweden is door een archeoloog aan de oevers van een meertje een 9.000 jaar oude sleuf in kleigrond gevonden waarin zeer waarschijnlijk vis werd gefermenteerd. Daarmee is dit het oudst bekende gebruik van deze conservatiemethode. De oudste bekende fermentatie tot nu toe waren resten van gefermenteerde druiven – wijn – van ruim 7.000 jaar oud (Journal of Archaeological Science, februari).

In en bij de bijna drie meter lange sleuf werden ruim 10.000 visbotjes teruggevonden. Een belangrijke aanwijzing voor fermentatie was dat sommige van de botjes waren aangetast door zuur, precies zoals tijdens fermentatie gebeurt. In Siberië en Alaska werd in de afgelopen eeuwen door poolvolkeren ook vis ter fermentatie in gaten in de kleigrond gestopt. Er zijn in de sleuf ook aanwijzingen voor een andere techniek gevonden: resten van een zeehonden- en wildezwijnenhuid. Inuit fermenteren vis in een afgesloten dierenhuid, met extra vet om botulisme te voorkomen. De gevonden botjes zijn waarschijnlijk resten van de laatste fermentatie. Als de vis van de graten is gesneden worden de botjes achtergelaten. De meeste vissen waren blankvoorns, die zonder bewerking niet gemakkelijk te eten zijn.

Rond de sleuf zijn een groot aantal gaten in de grond gevonden: waarschijnlijk resten van een hek- en dakconstructie om wilde dieren op afstand te houden. Vis heeft meestal wel een paar maanden nodig om goed te fermenteren.

De vondst is een opwaardering van de vindingrijkheid van de jagers/verzamelaars uit deze pre-landbouwtijd. (mesolithicum). Zij waren prima in staat grote hoeveelheden voedsel te bewerken en vooral: te bewaren.

De archeoloog, Adam Boethius van de universiteit van Lund, houdt het voor mogelijk dat de betrokken jagers de techniek zelf bedacht hebben, maar waarschijnlijker acht hij het dat de technologie verder uit het hoge noorden komt en dus nog ouder is.