Zo. Nu kunnen ze roddelen

Hij was de eerste parlementariër ter wereld die uit de kast kwam. Nu de tijden weer veranderen schreef hij een autobiografie, Homo politicus. „In de jaren 70 kon je makkelijker hand in hand over straat dan nu.”

Foto Andreas Terlaak

Schulp

„Als je zwart bent, zijn je ouders ook zwart. Je zelfrespect wordt vanaf het begin gevoed. Je ouders houden van je, je hebt een groep waar je bij hoort. Bij een homo komt het nog weleens voor dat die zich vereenzelvigt met het negatieve verhaal over homo’s uit zijn jeugd. Nu nog hoor je zeggen: ik ben homo maar ‘ik loop er niet mee te koop’. Maar als je hetero bent, kinderen hebt, loop je daar toch ook niet mee te koop? Je bent gewoon jezelf. Homo’s hebben gauw dat ze nog een beetje in hun schulp kruipen.”

Geen toekomst

„Op de middelbare school was ik me ervan bewust dat ik nooit mezelf zou kunnen zijn. Ik wilde het onderwijs in, en de politiek. Een maatschappelijke positie hebben, dat kon niet als je homo was. Ik had behoefte aan contact en openheid maar wist dat die nooit volledig kon zijn. Op mijn achttiende ben ik een maand of negen enorm depressief geweest, op het suïcidale af. Ik dacht: ik kan niet zijn wie ik ben en er is ook geen toekomst voor mij.”

Oma

„Na de scheiding van mijn ouders, ik was twee, ging ik met mijn moeder op Goeree Overflakkee bij haar ouders wonen. Mijn oma was orthodox protestant, maar had een anti-autoritaire instelling. God was zo groot, de mensen moesten zich niets verbeelden. Toen Wilhelmina op het dorp kwam en buurvrouwen vroegen of ze meeging zei ze: ja hoor eens, ik ben met de was bezig. Eens was er een jongen die werd verdacht van een zedendelict. Onderweg naar de kerk liep het hele dorp op de ene stoep en hij in zijn eentje aan de overkant. Mijn oma stak over en maakte een praatje met hem. Over de schijnheiligheid van de orthodoxie, die het christelijke als een soort superioriteit had, hoorde ik thuis vaak de uitdrukking ‘zo fijn als gemalen poppenstront’.”

Hervormd

„Mijn moeder en haar jongste broer, die nog thuis woonde, waren niet kerkelijk en links kritisch. In oorlogstijd deden ze aan filosofie. Mijn oma fietste erdoorheen met haar orthodoxie. Die gesprekken hoorde ik als ik met mijn speelgoed onder de tafel zat. Later ben ik erover na gaan denken. Ik vond dat mijn moeder en oom het leven wel erg uitgekleed bekeken. Ik miste het gevoelsmatige aspect. Op het moment dat ik zelf hervormd werd, was dat wel met een dubbel gevoel. Ja, als je geen vader hebt gehad is God wel een vervanging. Als je niet bent opgegroeid in een gezin, biedt de kerk wel structuur. Die rationalisatie is er altijd geweest, naast mijn geloof.”

Koosje Patat

„In de oorlog werd mijn kleuterschool een kazerne. Het was tegenover mijn huis, ik kwam er elke dag. Een keer werd ik op de knie gezet bij een Duitse soldaat. Ik voelde zijn dij, zat met zijn hand te spelen. Achteraf gezien voelde ik daar misschien iets van erotiek aan. Toen ik een jaar of twaalf was en stoeide met een boerenknecht besefte ik opeens dat dat seksualiteit heette. En dat ik daarmee op moest passen. Ik had op het dorp gezien hoe er op homo’s gereageerd werd. Onze schoenmaker, Gerrit, was net wat anders, dus viel hij buiten de gemeenschap. Ik zat bij de kapper, scheerwinkel heette dat toen, en er werd gegrinnikt, met enig leedvermaak, over de politie-inval bij Koosje Patat. Iets met mannen die met elkaar waren. Dat was strafbaar als een van de twee jonger was dan 21.”

Achter de vrouwen aan

„Ik ging samenwonen met mijn jeugdliefde, maar zo dat niemand het in de gaten had. Als niemand verwacht dat je homo bent, kunnen mensen heel lang blind zijn. Toen ik in de politiek meer aandacht trok, werd er wel steeds meer gekletst. De Haagse Post ontdekte de roddels en vatte die samen onder het kopje ‘Verkeerde Coos’. Dat choqueerde me wel. Af en toe had ik stressverschijnselen. Tot het punt dat de huisarts zei: Ga eens naar Parijs, achter de vrouwen aan. Als mensen me vroegen of ik homo was, zei ik gewoon nee. Ik wist: als ik ja zeg kan ik wel ophouden. Een paar jaar later kon het wel. In 1973, ik werd 34, heb ik op mijn verjaardagsborrel iedereen bij elkaar gegooid: homo’s, collega’s van school, mensen uit de CHU – mijn partij. Ik kuste de mensen die ik normaal kuste en dacht: Zo, nu kunnen ze roddelen.”

Anne Vondeling

„In ’76 kwam ik uit de kast als Kamerlid. Ik voelde aan dat ik nu een beroep kon doen op de Nederlandse samenleving om tolerant te zijn, begrip te hebben. Lank, mijn man, ging mee naar de beëdiging. Hij werd neergezet in de loges waar de partners zaten. En weer eruit gebonjourd door de bode: ‘Dit is niet voor vrienden’. Toen ik het hoorde ben ik naar Anne Vondeling gestapt, die toen Kamervoorzitter was. Als er iemand tolerant en democratisch was en dit niet kon pruimen, was hij het. Hij deed een missive uitgaan en Lank kon de loges weer in.”

Schoolfeest

„Het is zo stijvig om te gaan zeggen: ik ben homo. Zo werkt dat niet. Op de school waar ik werkte heb ik een schoolfeest afgewacht en Lank er mee naartoe genomen. Hij is een knappe jongen, dat scheelde. Wij vonden het uit de kast komen een plicht, zowel tegenover onszelf als tegenover de samenleving. Als je je sterk genoeg voelt, verberg je dan niet meer maar geef mensen de kans eraan te wennen. Lanks vader was burgemeester van Woerden, die zat er ook niet op te wachten. Maar als er iets was waar familie bij was, dan waren wij er ook. We zijn twee jaar samen naar alle borrels en recepties gegaan.”

Weigerambtenaren

„Er is veel bereikt. Het huwelijk is opengesteld voor partners van hetzelfde geslacht. De wet gelijke behandeling is aangescherpt. Maar in orthodoxe kerken is nog steeds een neiging dat niet te zien als verworvenheden maar verwordenheden – dat de normen minder geworden zijn. Kijk hoe lang er nog weigerambtenaren zijn geweest, dat is nog maar net veranderd. In het publieke domein is er een geweldige terugslag. In de jaren 70 kon je makkelijker hand in hand over straat dan nu. Voor docenten is het weer lastiger uit de kast te komen. Al moet je het niet uitvergroten. Ik heb weleens gezegd in een klas: Wat je van me denkt interesseert me niet, als ik er maar niets van merk. Ze schoten in de lach. Gewone menselijke irritatie is er altijd. Dan pakken ze een makkelijk grijpbaar punt, daar moet je niet wakker van liggen. Maar voel je je er rot over, dan moet je het niet nemen. Je moet duidelijk zeggen: hier is de grens.”

Tolerantie

„We zijn in Nederland te bang voor moralisme. Vrouwen- en homo-emancipatie lijken vanzelfsprekend, maar zijn producten van de vrijzinnige democratie van de jaren 60 en 70. Het vroeg een bepaald welvaartsniveau, veronderstelde een bepaald ontwikkelingsniveau – waardoor tolerantie een natuurlijk gegeven lijkt. Maar het vergt onderhoud. Je kunt democratie niet handhaven als je er niet duidelijk en enthousiast stelling voor neemt. Tolerantie veronderstelt afwijzing van intolerantie. Het kan zijn dat homovluchtelingen voor hun veiligheid ergens anders ondergebracht moeten worden. Maar mensen die zich in azc’s misdragen moeten horen dat ze fout zitten en dat dat gevolgen heeft. Over een paar jaar kom je ze namelijk gewoon tegen op straat.”