Column

Waarom het idee van een kopgroep veld wint

In sommige Europese hoofdsteden gaat het gerucht dat de zes oprichters van de Europese Unie bezig zijn met een plan voor een ‘nieuwe doorstart’. Duitsland, Frankrijk, Italië en de drie Beneluxlanden zouden er in stilte aan werken – voor zichzelf, wel te verstaan. Mocht het huidige Europa van 28 landen disfunctioneel worden door alsmaar meer gekibbel en nationalistische oprispingen, dan zou voor hen tenminste niet alles verloren zijn.

Het maakt Spanje, Portugal en andere landen zenuwachtig. Het verhaal kwam in de wereld toen de ministers van Buitenlandse Zaken van de zes founding fathers begin februari in Italië bijeenkwamen om te bedenken hoe ze komend jaar gaan vieren dat hun regeringen dan zestig jaar geleden het Verdrag van Rome tekenden. Met dat verdrag werd op 25 maart 1957 de Europese Economische Gemeenschap opgericht, voorloper van de huidige EU.

Italië wil de 60ste verjaardag van het verdrag feestelijk markeren. Dus had de Italiaanse minister zijn vijf collega’s uitgenodigd. Voor ze aan tafel gingen, werden ze op de foto gezet. Die ging heel Europa door, voorzien van allerlei complotachtige bijschriften.

Een verse doorstart. Je zou willen dat het waar was. Besluiten nemen met zijn zessen, niet in een balzaal met 28, dat waren nog eens tijden. En wat zou dit een mooie kans zijn om de weeffouten in de Europese integratie – nu zuinigjes ‘Europese samenwerking’ geheten – te herstellen. De Unie is verworden tot een grote club waar alle landen iets anders mee willen. Iedereen wil er zo min mogelijk geld in steken en er zoveel mogelijk subsidie uithalen. De 28 gebruiken de EU vooral als marktplaats waar iedereen luidkeels zijn eigen waar aanprijst.

Europa als vredesproject, als politiek project om te zorgen dat Duitsland en Frankrijk nooit meer oorlog voeren, is in de vergetelheid geraakt. Handel was destijds geen doel op zichzelf, maar alleen een instrument om die twee landen, en later ook andere, in een regelsysteem in te kapselen dat excessen moest voorkomen. Nu Europese regeringen elkaar voor rotte vis uitschelden en hun problemen keihard buurlanden invegen, is het moment gekomen om de prioriteiten van ‘Rome’ weer in ere te herstellen. Asociaal, agressief gedrag was namelijk precies wat ‘Rome’ moest voorkomen.

En wat zou het fijn zijn als de zes ministers, als ze toch bezig zijn met politieke prioriteiten, beter naar de VS keken en sommige aspecten van de Europese ‘samenwerking’ wat beter regelden. De VS zouden vierkant draaien als elke deelstaat een veto had over de buitenlandse of de monetaire politiek. Maar zo gaat het wel in Europa. De eurocrisis en de migratiecrisis zijn veroorzaakt doordat we een gemeenschappelijke eurozone en Schengenzone hebben opgetuigd, maar de besluitvorming erover en het toezicht erop nationaal hebben gehouden.

We wilden ook nergens een cent aan uitgeven: EU-lidstaten dragen één procent van hun nationale begrotingen af aan de EU; in de VS is dat ruim 20 procent. EU-landen zeggen altijd: logisch, wij zijn soevereine staten. Zeker, maar dit soort halfbakken constructies zijn drijfzand. Bij de eerste tegenslag vertoont elk land de nationale reflex. Een buitenlandvertegenwoordiger die haar uitspraken eerst ter goedkeuring naar 28 hoofdsteden moet sturen, is een lachertje.

Er nadert een Uur U. Een moment waarop doormodderen geen optie meer is en landen een sprong vooruit moeten maken. Als niet iedereen meewil, dan maar een kopgroepje. Misschien is de Rome-deadline zo gek nog niet.