Oranjetipjes zijn dol op ruig struikgewas

Illustratie Irene Goede

Er is goed nieuws over de natuur in Nederland. Met de vlinders gaat het iets beter dan tien jaar geleden – rond de tijd dus dat jij geboren werd.

Een van die vlinders is deze: het oranjetipje. Misschien heb je hem wel eens in de tuin gezien. Hij leeft op heel veel plekken in Nederland. Maar toen je ouders klein waren, was dat nog niet zo. Oranjetipjes hebben Nederland veroverd!

Over een week of twee kan je ze gaan zoeken. Dan beginnen ze uit te vliegen. De mannetjes herken je heel gemakkelijk. Ze zien eruit alsof hun vleugels in de oranje verf gedoopt zijn. De vrouwtjes zijn wit met een stip en een zwart vleugelpuntje. Die zijn lastiger te vinden.

De oranjetipjes profiteren van tuinen vol met bloemen. Hoe meer hoe beter! Pinksterbloemen, boterbloemen, koekoeksbloemen, vergeet-me-nietjes, daar houden ze van.

Ze zijn trouwens ook dol op slordige struiken. Dat komt doordat oranjetipjes een raar leven hebben. Je weet natuurlijk dat een vlinder eerst een ei is, dan rups wordt, dan pop en dan vlinder. Maar een oranjetipje leeft bijna het hele jaar als pop. Al in juni schuilt hij in een struik. Dan verpopt hij en zo blijft hij de hele zomer, herfst en winter hangen, tot het in de lente tijd is om uit te vliegen.

Oranjetipjes worden dus niet vrolijk als je in de tuin alle struiken netjes snoeit en de takken opruimt. Huppakee, dan gaan de poppen zo mee de groene kliko in. Voor vlinderpoppen moet snoeien slordig.

Tuinen zijn niet alleen voor oranjetipjes belangrijk. Alle vlinders houden van bloemen: hun rupsen eten de bladeren en de vlinders eten de nectar. Een felgroen weiland met koeien en gras is voor vlinders een woestijn. Sommige vlinders houden van moerasbloemen, andere van duinbloemen of heidebloemen. En als ze geluk hebben, houden ze van tuinbloemen, zoals de oranjetipjes. Dus fladderen zij vanaf april weer tevreden tussen het schuurtje en de heg.