Onder de spullen loert het verleden

Oude lampen, stoelen en klokken zijn niet aan te slepen. Markten floreren, de kringloop is hip. De spullen hadden, ooit, emotionele waarde.

Foto David Galjaard

En dan staat het daar, het ouderlijk huis, niet langer bewoond, maar nog in vol ornaat. Het moet opgeruimd worden. Alles erin, de kopjes, de klok, de tapijten, de vele kastjes met daarin laadjes met daarin speelkaarten, elastiekjes, pakjes brieven, hé die gekke kurketrekker dat ze die nog had, de bank, de versleten kussentjes, het houten kamelenzadel, de boerenbont soepborden.

„We begonnen zomaar ergens. De een hier, de ander daar. Natuurlijk nog zonder over criteria te beschikken. Het gevoel van lukraakheid was aanvankelijk enorm. Helemaal verdwijnen zou het nooit, ook niet tijdens de latere opruimexercities. Het kon zich op totaal onverwachte momenten opnieuw voordoen, het moedeloze gevoel van lood om oud ijzer”, schrijft Nicolaas Matsier in zijn roman Gesloten huis (1994) over het leegruimen van het ouderlijk huis, na de dood van zijn moeder. Maar het gaat niet over het huis, al gaat het wel over het huis. Het gaat niet over de spullen, al gaat het zeer veel over al die spullen. Het gaat, uiteindelijk, over het leven dat geleid is in het huis, met al die voorwerpen die evenzovele vertegenwoordigers zijn van voorbije handelingen, verwachtingen, manieren van leven. Van voorbije mensen. Een complete jeugd, twee ouders, een tijdperk met de bijbehorende gedachten en gedragingen, ze komen in die roman allemaal tevoorschijn uit dat huis voor het gesloten wordt.

En niet alleen in die roman. Huisopruimers komen voor talloze grote en kleine beslissingen te staan die vaak lukraak genomen worden. Boeken. Servies. Verzamelingen.

Waardevolle spullen zijn eigenlijk nog het makkelijkst. Die kun je willen hebben of verkopen.

Hoewel, ‘willen hebben’ is ook een veel minder eenduidig gevoel dan het lijkt. Want wat wil je als je iets wilt hebben? Als het om een mooi voorwerp gaat, is de verwarring niet zo groot: Dat jugendstil kastje? Mooi hè? Dat is het eerste kastje dat mijn ouders samen kochten, op een veiling. Een verrukkelijk antwoord want alles valt daar samen: sentiment, geschiedenis en goede smaak. Je ouders hadden destijds al zo’n goed oog toen ze dat kastje voor hun eerste gezamenlijke huurkamer uitkozen, jij hebt je aan dat kastje gehecht en zou van alles uit zijn leven weten te verhalen – hoe de Barbiepoppen er in hebben gewoond achter de glazen deurtjes, dat je eerste echte meisjesondergoed op die plankjes heeft gelegen, dat het als klimrek is gebruikt en daarbij is omgevallen bovenop je broertje en jouzelf, dat er brieven in lagen op je eerste studentenkamer.

Anders zit het met die klok die nog van je moeders moeder is geweest en die je nooit mooi maar altijd zo karakteristiek hebt gevonden. Moet je de derde generatie zijn die deze klok in huis heeft? Zou je dat een gevoel van continuïteit bezorgen? Of zou je je in gedachten altijd tegenover iedereen verontschuldigen voor die rare klok, maar hij is nu eenmaal van mijn oma, enzovoort? Je kunt degene zijn die die klok het onbekende in stuurt, hem via de kringloopwinkel zijn heil laat zoeken in vreemde huizen, in de hoop dat iemand daar zich aan hem gaat hechten en hem een nieuwe geschiedenis geeft.

Wie zijn ze zonder hun eigenaren?

Wat voor iemand ben je ten opzichte van de dingen.

En de dingen zelf, wie zijn ze zonder hun eigenaren? „Het voelde een beetje als ontvoeren: dat wij daar de grootouderlijke Friese klok en zo meer plotseling naar buiten droegen, in onze auto’s laadden en wegreden”, schrijft Matsier. De ontvoerde dingen moeten in hun nieuwe huizen weer helemaal op hun plaats raken. En dat doen ze meestal ook. Zo zijn dingen. Trouweloos in een bepaald opzicht, en tegelijkertijd hardnekkig in hun verwijzing naar een voorbije tijd.

O er zijn zoveel vragen. Want ook als je dat kastje of die klok wel zou willen hebben – waar gaat het dan komen te staan in het eigen ook al geheel ingerichte huis? Er zal iets moeten wijken en wat moet dan zwaarder wegen: geschiedenis, schoonheid, gehechtheid, praktisch nut?

Een huis begint al snel zijn samenhang en betekenis te verliezen als je er dingen uithaalt. Sowieso heeft het met de dood van de bewoner eigenlijk al alle bezieling verloren. Hij of zij was het die betekenis gaf aan de dingen. Die waterpijp op de zware hoekkast, meegenomen van een reis. Het zilveren theeservies in de boekenkast, ook zichtbaar op een foto met onbekende overgrootouders. De bewoners van het huis konden daarover praten, ze namen die dingen op in hun bestaan. Maar met het verdwijnen van dat bestaan vinden de dingen het ineens heel gemakkelijk om zich voor te doen als waardeloze rommel.

Kijk eens rond in je eigen huis. Dat blauwe vaasje met eveneens in blauw erop gedrapeerde rozen van een Franse rommelmarkt. De pocket van Le rouge et le noir, kapotgelezen in een vakantie en met een elastiekje eromheen bijeen gehouden, nu al weer twintig jaar. Zulke dingen.

Pak de vuilniszakken maar.

Matsier: „Af en toe zei iemand wat. Zoals mijn broer. Die, naar hij tijdens een koffiepauze vertelde, in één klap – dat was wat hij zei: in één klap – alle brillen van moeder in een vuilniszak gestopt had.”

Hard zijn. Dat zal wel moeten. De wereld is vol van spullen, deze ouderlijke horen daar ook bij, het zou wat. „Mijn broer zat er niet alleen ontdaan bij, hij was al ontdaan van zijn eigen daad terwijl hij hem voltrok, zoveel was wel duidelijk.”

Sorteren. Kleren wegdoen, goede spullen apart zetten voor de kringloop, kapotte dingen in vuilniszakken en dozen stoppen, bedrijven regelen die de grote dingen komen ophalen – na de eerste verbijstering en de golven van gevoel wordt het opruimen vooral werk. Veel werk.

Maar daaronder loert het verleden, dat zijn tastbare kant verliest en verandert in een voorstelling. De spullen verwijzen naar iets wat er al niet meer is.