Nu kun je zien waarom omega-3-vetzuren zo heten – en ervan genieten

Waarom zou iemand een overzichtsboek met basiskennis over moleculen schrijven? Zo’n boek brengt geen sprankelende nieuwe boodschap, het is per definitie incompleet en alles staat toch al op Wikipedia.

Het gaat allemaal op voor Moleculen, de vorige maand verschenen Nederlandse vertaling van Molecules (2014) van de Amerikaanse schrijver-chemicus Theodore Gray. En toch is het onweerstaanbaar. Ja, het is een basisboek over moleculen. Het legt uit wat esters zijn, wat de chemische structuur van allerlei pijnstillers is, waarom slechts enkele verbindingen gekleurd zijn, wat zuurvrij papier is, en zo meer dan tweehonderd pagina’s door.

Dat is fijn. Gray maakte zijn prachtige boek met onverholen enthousiasme. Daardoor is Moleculen het zuurvrij-papier-geworden bewijs dat scheikunde intrigerend is en zelfs esthetisch.

De indeling is simpel. Eerst een paar hoofdstukken met middelbare-schoolkennis: valentieschillen, esterbindingen, benzeenringen, polariteit – dat werk, rustig uitgelegd. Dan de themahoofdstukken, zoals over vezels, zeep en kleurstoffen. Veel chemie ontbreekt ook. Nauwelijks gassen, weinig over water, geen radioactiviteit, katalysatoren of emulsies. Moleculen gaat vooral over organische verbindingen, en over hoe veelzijdig en wonderlijk die zijn – of ze nu door planten of dieren zijn gemaakt, in de olieraffinaderij of in de chemische fabriek.

De kracht van Gray’s boek is dat het die veelzijdigheid laat zien. Het is chique voor een bètaboek: groot, vierkant en opgemaakt als een luxe tijdschrift: de pagina’s zijn zwart, de tekst is wit – niet erg leesbaar. Maar het beeldmateriaal is buitengewoon.

Sowieso aarzelt Gray niet om pontificaal paarsglanzende structuurformules af te drukken, zelfs van grote moleculen als omega-3-vetzuren (zodat je ziet waarom ze omega-3 heten). De fotografie is nog beter. Waar de meeste auteurs hun foto’s bijeenschrapen bij stockfotobureaus, kocht en verzamelde Gray meer dan 500 voorwerpen en monsters. Fotograaf Nick Mann maakte er studiofoto’s van, allemaal in dezelfde tastbare, haarscherpe stijl.

Sommige van die voorwerpen zijn moeilijk verkrijgbaar of kostbaar, zoals een blok teflon, een leeuw van kopererts, een oud blik narcose-ether, een brokje ambergris (de geurstof uit de maag van potvissen), een armband van olifantenhaar, een schaaltje met puur E102 (gele kleurstof) en een verzameling van flesjes dierenurine.

Zoiets is een enorme investering – de ambergris kostte volgens Gray 135 euro per gram – maar Theodore Gray is dan ook een bedrijf. Er zijn interactieve apps van zijn boeken, posters en placemats, en een „fabulously nerdy” quilt (een soort kleed) met het periodiek systeem erin geborduurd.

Een koffietafelboek zou door nerds grandioos afgekraakt worden als het ook de oppervlakkigheid van een koffietafel had. Maar daarvoor is Theodore Gray te goed geïnformeerd, te grappig en te verrassend. De meeste latexhandschoenen zijn niet van latex, honing is nauwelijks te onderscheiden van goedkope glucose-fructosesiroop, en kerosine was rond 1850 het belangrijkste aardolieproduct. Gray laat alleen subtiel zijn mening horen, zoals over fossiele brandstoffen. „Ruwe olie is een supernuttige bron van chemische verbindingen. (…) Over een paar decennia zullen we terugkijken en ons voor het hoofd slaan dat we zo stom waren om het spul te verbranden”. En hoe nuttig die verbindingen zijn, bewijst het boek. Een kritiekpunt: de index is niet helemaal compleet. De armband van olifantenhaar moet de lezer bijvoorbeeld zelf gaan zoeken, al bladerend. Maar dat is geen straf.