Column

Klompvoet

De avondlucht is krakend koud als vers gesteven lakens. Ik wandel een flink stuk naar huis door de stad met een stevige pas. Mijn linkerschoen knelt. Er is orthopedisch vast iets vreselijk mis met mijn linkervoet, denk ik, terwijl ik met mijn vingers de verpulverde inhoud van mijn jaszakken betast. En wat waren dit eigenlijk ooit? Bioscoopkaartjes, of snoeppapiertjes? Bonnetjes of visitekaartjes? Of al deze dingen tegelijk, gecombineerd met wat zand – of is het suiker? – en een geërodeerd... Smintje?

Ik heb het nog best lang op deze schoenen volgehouden, vind ik. Applaus daarvoor. Dank u. Geen dank. Ok, dan niet. Gelukkig heb ik gedronken. De klinkers op straat weerkaatsen het licht van de maan die op de butsen en rondingen schijnt. Over deze melkweg van steen en platgereden kauwgomklonten fietst een lange jongen met een meisje achterop. Ze praten niet. Lijken zich te bewegen door bevroren tijd. Hij fietst uiterst traag en kijkt alsof hij zijn naam vergeten is. Zij is een standbeeld. Langs haar rechterwang wappert de koude wind, en rond haar gezicht dansen kleine haartjes die uit haar staart ontsnapt zijn in slow motion. Ze heeft haar armen om zijn middel geklemd. Haar linkerwang houdt ze tegen zijn jas gedrukt, alsof ze erop vast gelijmd is. Zo kijkt ze ook. Als een boomkikker. Ze ademt niet, alsof zoiets banaals en onnodigs het moment zou kunnen verstoren.

Ze zijn vast bijna bij haar huis, daarom fietst hij zo langzaam. Misschien moet er afscheid genomen worden, omdat zoiets betamelijk is, maar willen ze dat niet. Wellicht wil hij haar zoenen, als hij durft, en gaat hij na wat hij ook alweer gegeten heeft en of dat van invloed zou kunnen zijn op de kwaliteit van zijn speeksel en het reliëf van zijn tong. Misschien denken ze alleen aan hoe ze zich voelen en aan hoe overweldigend dat is. En aan hoe ze even geen deel uitmaken van de wereld, maar dat ze erdoorheen glijden, als bevroren boomkikkers, op een fiets.

Nee, natuurlijk denken zij dat niet, dat denk ík. Zij zijn gewoon een klont gecomprimeerde energie. Dáárom zijn ze van buiten zo stil, omdat je met hun kern steden kan verlichten en van alles kan verslaan. Maar misschien ben ik wel dronken, dat mag ik ook niet uitsluiten. Ze zijn me voorbij gezweefd.

Ik schop tegen een platgereden frisdrankblik met mijn klompvoet. Hij gaat niet ver en ik val bijna. Toch is alles helder. Ik kan overal op inzoomen. Het gespleten plastic einde of begin van een veter in de goot, de vezels van die veter en het vuil in die vezels. Als ik thuis kom moet ik niet vergeten chips te eten. Chips zijn gezond.

Even verderop zie ik ze staan, de jongen en het meisje. In een zee van glimmende fietsen onder een lantaarnpaal. Ze zoenen. Net waren ze stokstijf, nu zijn ze samen vloeibaar. Als een ballerina in een opwindbaar juwelendoosje draaien ze om elkaar heen en alles glanst en schittert.

Er rijdt een man voorbij in een scootmobiel. Hij draagt een pet met kleine knuffels eraan. Achterop de scootmobiel is een rol bubblewrap van zo’n zeventig centimeter doorsnede bevestigd. Ook mooi. Ik ren er achteraan met mijn klompvoet.