Column

Italiano

Is Italië nog wel een land voor Nederlanders? Niet voor de huidige generatie voetballers en wielrenners als je kijkt waar de grote jongens zich uitputten voor geld en roem. Na de Milanisti Gullit, Van Basten, Rijkaard waren het vooral de Spaanse en Engelse competities die in het vizier van het grote geld kwamen. De Hollandse kolonie in Barcelona met Louis van Gaal als vaandeldrager had zelfs het karakter van een exodus. Vandaag is de Premier League de grote melkkoe voor Nederlands talent.

Italië is alleen nog exotisch buitenland. Ritje met de familie langs het Comomeer, winkeldagje in Milaan voor een handvol provinciale fashionistas, schoolreisje naar het Colosseum in Rome… Meer beweging zit er voor Nederlanders niet meer in. In het wielrennen lijkt de woestijnvorming zelfs onomkeerbaar.

Nederlandse coureurs slagen er niet meer in een paar weekjes op zijn Italiaans te leven. Voor wie Milaan-Sanremo wil winnen is dat nochtans een conditio sine qua non. Je aan de vooravond van deze klassieker laten invliegen, is tekenen voor hulpeloosheid. Niet toevallig zijn het vaak de renners die de etappewedstrijd Tirreno-Adriatico achter de rug hebben die in La Primavera een hoofdrol voor zich opeisen. Milaan-Sanremo is een fantoomkoers van net geen driehonderd kilometer. Een vluchtkoers in de wetenschap dat vluchten niet helpt. De lengte van de klassieker in combinatie met opeenvolgende hellingen naar het einde van de koers toe is een sloophamer hors categorie.

Op zijn Italiaans leren leven, betekent wennen aan chaos, zwerfvuil en loslopend wild op de weg. Aan getoeter en theater voor de koers. In de hotels krioelen renners, vrouwen en kinderen door elkaar heen. Een ouwe opa mag altijd mee aan tafel. Daar kunnen Nederlanders niet tegen, ritueelziek en -zat als ze in hun stoemperskop zijn. Even de beest uithangen? Alla, maar graag na de koers.

De martelaar van het Nederlandse cyclisme Johnny Hoogerland heeft een jaartje voor een Italiaanse B-ploeg gereden. Geen platte prijs, natuurlijk en binnen de kortste keren bijna als asielzoeker weer ondergedoken bij Roompot. Meer Italiaan waren Johan van der Velde en Erik Breukink in hun tijd. Zij hadden wel een uitheemse gevoelstemperatuur en werden zelfs tot in de laars gekoesterd als lokale helden. Vooral Van der Velde was een icoon in Italië. Jan Raas had helemaal niets met Italiaanse bombarie, maar won wel Milaan-Sanremo. De Zeeuw kon zich zo focussen op een wedstrijd dat hij gevoelloos werd voor landschap en omstandigheden. Een lekkere stamppot beeldde hij zich moeiteloos in, inclusief juskuiltje. Overigens was Amsterdam hem even vreemd als Milaan. Nooit een dag anders dan Zeeuw geweest in zijn leven.

De winnaar van Milaan-Sanremo is altijd een compleet en sluw renner. Stuurvaardig ook. De koers barst open bij het bestormen van de Turchino, na 140 km. Het is er een nerveus kluwen omdat de renners door een smalle tunnel moeten. Het echte geweld ontstaat bij de beklimmingen van de Capo Mele, Capo Cervo en Capo Berta, korte maar snedige hellingen. Op de Cipressa worden de benen letterlijk afgesloten in het vooruitzicht van de finale op de Poggio. Geef Fabian Cancellara 8 seconden op de Poggio en niemand is nog in staat deze majestueuze daler bij te benen.

Er zijn wel tien topfavorieten voor deze Milaan-Sanremo. Helaas geen Nederlander. Iedere keer als ik Thomas Dekker op televisie zie, ontstaat een pijnscheut in het hart. Mooie Thomas had alles om La Primavera te winnen, lef, kracht en explosiviteit. Hij had zelfs Italiaanse podiumflair. Zijn (nu dan lichtjes verartistiekte) hoofd verdient nog steeds een bloemenzee.