‘Ik ben gewend te zwoegen’

Stephan Vanfleteren (46) vertelt soms onzeker over zijn nieuwe fotoproject, Stil Leven. ‘Na eliminatie van alle beroepen was fotograferen het enige dat ik kon.’

Foto Frank Ruiter

De kou is hem in de botten geslagen, zegt fotograaf Stephan Vanfleteren (46) en hij rilt in zijn corduroy jasje. Hij wrijft zijn wangen warm. We zitten in de ‘meidenkamer’ van restaurant de Veldkeuken. Tegenover het restaurant, op nog geen honderd meter lopen, ligt landhuis Oud Amelisweerd waar hij die ochtend zijn fototentoonstelling inrichtte. Het achttiende-eeuwse landhuis is tegenwoordig het museum van schilder, dichter, bokser en violist Armando (1929).

Het museum nodigde Stephan Vanfleteren uit te exposeren en wist ook al met welk werk: zijn foto’s van de Atlantikwall, de verdedigingslinie die Hitler liet aanleggen langs de kust van Noorwegen tot Zuid-Frankrijk. Bunkers, versperringen en kustbatterijen. „Ik snapte het idee”, zegt Vanfleteren. In de velden rond landgoed Amelisweerd zijn ook bunkers, een fort en een executiemuur waar „Duitse kogels door mensenvlees” werden geschoten. En zeg oorlog, Duitsland en dood en je komt uit bij Armando, de kunstenaar „wiens ziel door rupsbanden is overreden”. We passen bij elkaar, zegt Vanfleteren. Armando, de oude schilder en hij, de fotograaf van middelbare leeftijd. Ook bij hem zit de oorlog in de genen. De grond waarop hij woont, in het verste puntje van Vlaanderen, dampt van oorlog. „Overal militaire kerkhoven. Om de drie kilometer een monument dat verwijst naar een veldslag. Mijn vaders doofheid als gevolg van een WOII-bombardement.” En nu, als Vanfleteren ’s nachts naar huis rijdt richting Duinkerken en Calais, ziet hij over de pechstrook de slachtoffers lopen van weer een oorlog.

Een paar maanden geleden bezocht Vanfleteren voor het eerst het landhuis. Hij inspecteerde de kamer waar de broer van Napoleon en zijn maîtresse elkaar kusten, doolde door de natuur van het landgoed, passeerde de bomen die de oorlog zagen, en besloot daar niet oud werk te „parkeren”. Niet de foto’s van de Atlantikwall komen er te hangen, maar nieuw werk dat hij speciaal voor het landhuis annex museum maakte: Stil Leven.

Naakten, stillevens met dode dieren, foto’s in zwart-wit en kleur, abstract werk. Schilderachtig mooi, maar even wennen voor wie Vanfleteren vooral kent van zijn beroemde zwart-wit portretten. A-typisch misschien, zegt Vanfleteren zelf. „Meestal is wat ik maak homogeen en goed omlijnd. Series met portretten van wielrenners, vissers, Belgen, Ollanders. Dan een serie als Atlantikwall waarop geen enkel mens staat. Een boek met louter foto’s in zwartwit, een boek over façades en vitrines weer in kleur.”

Ménage à trois

Stil leven is anders. „Het verschil is niet dat het in kleur is, of abstract. Het gaat niet om mij, zelfs niet om de losse foto’s. Het is een ménage à trois tussen mij, het huis en Armando. Het huis is een boek, elke kamer een hoofdstuk. Ik vind het lastig deze foto’s afzonderlijk afgedrukt te zien, ze kunnen niet buiten hun context.” Zelfs het model dat hij naakt in de bossen fotografeerde, moest een Utrechts meisje zijn, dat bekend is met het landschap. Na de tentoonstelling – over een half jaar – komt er geen expositie elders. Hij ontmantelt de boel, en Stil leven sterft een stille dood.

Afwisselend is hij onzeker over wat ‘men’ straks zal vinden van het „risico” dat hij met dit werk neemt. Om direct daarna te zeggen hoe dichtbij Armando hij is geraakt. Niet dat hij zichzelf met hem wil meten, maar hij is getroffen door wat hij in hem herkent. „Hij is nukkig, stug. Ook nu hij 86 is, voel je die zinderende, bijna agressieve energie. Ik heb weleens gedacht: zou het tussen ons op een knokpartij uitlopen, dan weet ik niet of ik het wel van hem win.” Diezelfde heftigheid, die koppigheid heb ik ook, zegt Vanfleteren. „Voor mijn werk vecht ik. Komt een foto beter uit in ander licht en moet daarvoor de complete lichtinstallatie veranderd? Dan moet dat.” Niet zijn ego huist in het werk, maar zijn geest en ziel. „Dat zie je ook bij Armando. Ik geloof wat hij maakt. Ik snáp het.” En hoe vaak kwam het niet voor dat Vanfleteren iets fotografeerde, dat later een echo bleek van een werk van Armando? „Tussen al die bomen hier vind ik die ene waarin het woord vivre staat gekerfd. Leven.” Niet ver van die plek pleegde onlangs een Utrechtse man zelfmoord. De gefotografeerde boomschors blijkt bijna samen te vallen met een Armando-schilderij. „We bespelen dezelfde registers. Stilte, dood, natuur, schuld. ”

Ik vraag of hij ook iets anders had kunnen worden dan fotograaf. Nee, zegt hij. „Na eliminatie van alle andere beroepen, was fotograferen het enige dat ik kon.” Hij is dyslectisch. „Vooral in het Frans heb ik last. Ik verhaspel altijd de woorden arbre en bras. Boom en arm. Zelfs als ik het zeg, gaat het mis.” Achteraf gezien was zijn moeder natuurlijk ook hartstikke leesblind, alleen noemde niemand dat in haar jeugd zo. En zijn drie kinderen – een van 18, twee van 13 – hebben het ook. Zelf is hij nooit ongelukkig geweest als kind, nooit blijven zitten ook op dat streng katholieke college, maar het was wel „zweten en ploeteren”. Harder werken dan alle andere kinderen, met zeer matig resultaat en in de wetenschap dat hij met al die inspanning nooit jurist of ingenieur zou worden. „Forget it.” Zonder ooit eerder een fototoestel in handen te hebben gehad, vertrok hij naar de kunstacademie in Brussel. „Iedereen fotografeerde beter dan ik. Dus ik, gewend te zwoegen, werkte hard.” Hij weet nog hoe blij hij was, toen bleek dat zijn harde werken nu wel loonde. „Ik kón iets. En werd steeds beter.” Hoe leuk is het, zegt hij, dat je als jongeman hele dagen over de straten mag dolen, camera in de aanslag, en daar nog voor betaald wordt ook? „Natuurlijk romantiseerde ik het vak. Ik zag mezelf al als avonturier de jungle intrekken, de woestijn door. Een Marlboro-man…” Tevreden glimlach: „Eigenlijk zit ik daar nu niet ver vanaf.”

Steeds trager werken

Van snelle persfotograaf, die van betoging naar rampspoed racete, is hij gaandeweg steeds trager gaan werken,zegt hij, op zoek naar verstilling, vertraging en diepgang. Zoveel vertraging dat hij met zijn digitale kleinbeeldcamera nog langzamer fotografeert dan met zijn Hasselblad. En zoveel diepgang dat hij zijn foto’s tegenwoordig zelfs begeleidt met zelfgeschreven teksten. Teksten? Woorden? Hij? „Mijn taal hapert nog altijd, maar het is fel verbeterd. Laat mij geen bijsluiter van een fototoestel lezen of een formulier voor een visum invullen. Dat is heel, heel hard werken. Maar als ik ontroerd ben, of boos, dan stromen de woorden eruit. Mijn taal bestaat uit beelden.” En zo nadert Vanfleteren ook Armando en zijn zintuiglijke poëzie.

Vanfleteren denkt hardop na. „In mijn leven zijn altijd verschillende dingen gaande. Ik switch tussen projecten. Na een week in de natuur – ik ben een duinenkind – trek ik naar de stad. Na weken vol portretten van beroemde mensen, raak ik mensenschuw en vertrek op m’n eentje met een rugzak en niet meer dan één camera en één lens naar een ver buitenland.” Maar nooit zal hij niet fotograferen. „Op vakanties werk ik altijd. De kinderen weten niet beter.” Nee, geen vakantiefoto’s. „Daarin word ik geklopt door mijn vrouw. Haar telefoonfoto’s zijn vele malen beter dan wat ik maak met mijn professionele camera.” Zijn vrouw werkt sinds een aantal jaar met en voor hem. „Onze saamhorigheid als gezin lijkt op hoe het vroeger thuis was.” Zijn ouders waren de beheerder van een tennisclub aan de Vlaamse kust. „Van het begin van de paasvakantie, eind maart tot eind oktober was iedereen, vader, moeder, mijn broer en ik op de tennisclub. Rackets bespannen, de banen controleren, de kantine beheren. Pas in de winter, als de club gesloten was, gingen wij met vakantie.”

‘Na weken vol portretten van beroemde mensen, raak ik mensenschuw’

Eén dag geen foto’s schieten, gaat net. Maar als het langer duurt dan een paar dagen, wordt hij onzeker. „Mijn toestel wordt een vreemd object. De knopjes voelen anders. Misschien is het wat een pianist ervaart die dagen niet gespeeld heeft. Of een harpist die merkt dat zijn handen stijf zijn geworden en het eelt van zijn vingers slijt.” Overtraind zijn daarentegen is ook niet goed. „Ik heb altijd heel veel foto’s gemaakt, ook voordat ik overging op digitaal. Maar nooit te veel. Je moet als het ware de goesting bewaren. Goed kijken, scherp blijven staan en op het juiste moment afdrukken.” Hij wil het geen trance noemen, of vibe, maar het lijkt er veel op. „Zwemmers noemen het watergladheid. Je houdt jezelf in de juiste modus om, als het erop aankomt, in fracties van seconden te reageren. Ik heb er een trucje voor: waar ik ook aan het werk ben, om het half uur druk ik af. Gewoon even dat geluid horen. Zo hou ik het machientje draaiende.”

Stephan Vanfleteren heeft liever niet dat ik zijn onaffe tentoonstelling al zie, maar ik doe het toch. Na de lunch, als hij op de foto moet voor de krant, belt de conservator aan bij het landhuis aan de overkant, en neemt me in jogtempo mee door de eeuwenoude kamers: een naakt meisje in een bevroren bos, een dood muisje, een mannenhoofd dat boven het water uitsteekt. Prachtig, zeg ik tegen Vanfleteren bij het afscheid. Hij kijkt alsof hij een pluim krijgt voor een foutloos dictee. Dan slaat hij zijn sjaal om en versnelt zijn pas. Het huis moet verder afgemaakt.