Hij is topsporter en puber

Roel Bogie (15) is een supertalent in het tafeltennis. Dit weekend speelt hij op het NK. Hoe

is het om zo jong constant te moeten presteren?

Door Arjen Schreuder Foto’s Merlin Daleman

Roel Bogie uit Nijmegen is twee maanden geleden vijftien geworden en kan ongelofelijk goed tafeltennissen. Sinds zijn zesde al. Op een camping kun je Roel bij het tafeltennistoernooi beter niet tegenkomen. „Dan speelt hij met z’n linkerhand en wint hij nog alles”, lacht zijn vader.

Roel is een supertalent. Hij speelt sinds twee jaar in de hoogste tafeltennisdivisie van Nederland, bij de senioren. In de jeugdcompetitie had hij al op z’n twaalfde alles gewonnen wat er te winnen viel. Vader Gejo Bogie: „Het is geen ideale situatie dat spelers na afloop een biertje drinken en hij er met z’n colaatje of cassis bij zit. Maar hij moet natuurlijk wel tegenstand hebben.”

Moeder Lous Kwakkernaat vindt het eigenlijk „vreselijk” dat haar zoon altijd maar tegen ouderen speelt. „Mij lijkt er niks aan.” De volwassenen leven in „een andere wereld met andere praat”. „Sommigen gaan zuigen. Hem een beetje treiteren.” Ze kijkt bedenkelijk. „Ik vind dat jammer.” Ze glimlacht. „Maar ik vind het ook heel knap van hem!”

Wat betekent het om zo jong al voortdurend te excelleren? Hoe hou je het vol? Mis je als puber het volle leven? Hoe blijf je normaal onder alle aandacht? Wat vraagt het van je ouders?

Roel Bogie won dit jaar 62 procent van zijn partijen. „Da’s netjes voor de jongste speler van de eredivisie”, zegt vader Gejo. Op de Europese ranglijst van de ‘cadetten’, de spelers tot en met vijftien jaar, staat hij zeventiende. Dit weekeinde neemt hij deel aan de Nederlandse Kampioenschappen in Zwolle. Moeder Lous, een tikje spijtig: „Zijn oma geeft zondag een feest omdat ze tachtig wordt. De kans is groot dat hij daar niet bij kan zijn.”

De hoofdpersoon van dit verhaal maakt een kalme, laconieke indruk. Bijna schuw, op z’n hoede voor mensen die hem zijn leven lang al aanstaren als dat jochie dat nooit een wedstrijd verloor. Met zijn talent loopt Roel niet te koop, hij wil liever „gewoon” overkomen. Moeder Lous: „Veel mensen in onze omgeving weten helemaal niet hoe goed hij is. Hij vindt die aandacht niet fijn.”

Tijdens wedstrijden is Roel bloedfanatiek. Hij balt zijn vuisten en staat te roepen, en als hij verliest is de wereld te klein. Vader Gejo: „Ik heb dingen meegemaakt... Dat wil je niet weten.” Roel heeft met tassen gegooid. Tegen coaches geschreeuwd. Gehuild. „Ik heb hem vaak huilend achter de tafel zien spelen. Hij was teleurgesteld, maar wilde toch winnen. En hij won.”

Regelmatig liep Roel na een verloren partij de sporthal uit. „Dan zei hij: bel iedereen maar op, ik stop ermee. Maar de volgende dag stond hij dan weer z’n trainingstas in te pakken.” Roel wil niet dat zijn ouders tijdens de wedstrijden op de tribune zitten. Vader Gejo: „Hij kreeg het idee dat hij daardoor wedstrijden verloor.” Moeder Lous: „Mij wil hij al helemáál niet zien.” Niet dat ze de wedstrijden graag wil volgen. „Ik krijg er pijn van in m’n buik.”

Fanatiek is Roel altijd geweest. Op de basisschool was een acht of een negen niet goed genoeg. Toen hij als jochie lid wilde worden van een tafeltennisclub, stond er in de folder dat jonge kinderen de sport „spelenderwijs” onder de knie zouden krijgen. Moeder Lous: „Ik dacht: spelenderwijs? Dat kan hij niet. Hij wil winnen.” Twee jaar geleden speelde Roel met z’n moeder een partijtje tennis. „Toen we gelijk stonden, stopte hij ermee. Was hij toch bang dat hij ging verliezen. Pijn aan z’n enkel, of zo. Snap je?” Ze schatert. „Hij is zó gedreven!”

Anderhalf uur zwijgend naast elkaar

Draait het gezin Bogie om Roel? „Zo voelt dat niet, maar ik ben wel iedere dag met hem bezig”, zegt vader Gejo. Hij is adjunct-directeur op een basisschool in Venray en minder gaan werken, „om Roel elke dag naar de training te krijgen”. Vier keer in de week rijden vader of moeder Bogie hun zoon van en naar het topsportcentrum Papendal in Arnhem. Moeder Lous zit in de verpleging en heeft haar roosters aangepast. Vader Gejo: „Als ik Roel niet zo vaak moest rijden, hoefde ik niet elke drie jaar een nieuwe auto te kopen. Ik rijd vijftigduizend tot zestigduizend kilometer per jaar.” Onderweg naar een competitiewedstrijd of toernooi zitten vader en zoon soms wel anderhalf uur zwijgend naast elkaar. „Ik heb vroeger zelf op een redelijk niveau getennist. Ik weet wat een sporter voelt voor een belangrijke wedstrijd. Zo iemand moet je met rust laten.” Zijn vrouw snapt dat niet, zegt hij. „Die maakt af en toe grapjes. Dat moet ze niet doen. Daar hebben we vaak discussies over.”

Niet alle aandacht in het gezin gaat uit naar Roel. Moeder Lous: „Wat ik het belangrijkste vind, is dat Lynn er geen last van heeft.” Hun zestienjarige dochter speelt hockey. „Eén van ons gaat altijd kijken.” Vader Gejo: „Lynn heeft even veel recht op aandacht als Roel. Ik pak haar elke ochtend even vast.” Lynn is „heel zelfstandig”. Ze heeft veel vrienden, vriendinnen, een bijbaan, en feestjes. „Meer dan Roel.”

Roel zit op een middelbare school, de Stedelijke Scholengemeenschap Nijmegen, met een aangepast rooster, zodat hij kan trainen en internationale toernooien kan spelen. Vader Gejo: „Hij mist veel. Weinig uitleg krijgen en toch toetsen maken. Daar loopt hij nu tegenaan.” Pas geleden heeft zijn vader kunnen regelen dat Roel de vakken die hij volgend jaar niet meer heeft, en waarvoor hij onvoldoende scoort, nu al mag laten vallen. Natuurkunde. Scheikunde. „Daar hoeft hij zich geen zorgen meer om te maken”, zegt Gejo. „Ik heb alle obstakels voor hem weggenomen. Nu is het aan hem.”

De jaren zijn aangebroken dat Roel niet langer meer vanzelfsprekend alles wint. Hij moet nu sprongen maken. Trainen. Uren maken. Juist in de periode dat veel jongens andere interessen krijgen. Dat is lastig. Topsport, zegt hij zelf, is leuk én zwaar. „Ik vind het leuk om te trainen en beter te worden, progressie te zien. Zien dat je van goeie spelers gaat winnen. Maar je hebt weinig vrije tijd om leuke dingen te doen. Ik kan na school meestal niet nog met een paar vrienden afspreken. Ik ga naar huis, eten en daarna trainen.” Zelf zegt hij dat hij de wereldtop wil halen. „Als je hard traint en het leuk blijft vinden, dan is daar kans op.” Zijn doel is deelname aan de Olympische Spelen. Over vier jaar naar Tokio is „misschien nog wat te vroeg”, zegt hij, maar over acht jaar wil hij er staan.

Kan hij zich voorstellen dat hij er ineens mee stopt? Of dat hij, zoals een ander tafeltennistalent onlangs overkwam, wordt geschorst omdat hij wiet had gerookt op Papendal? „Zoiets zou mij niet kunnen overkomen. Met zulke dingen ben ik niet bezig.” Is hij gedisciplineerd genoeg? Vader Gejo: „Laat ik zeggen dat hij daarin nog kan groeien.” Feestjes ontzegt hij zich niet altijd, maar een toernooi op de dag erna speelt hij prima. Coach Gerald van Grunsven: „Als je voorafgaand aan een toernooi naar een feestje gaat, heb je geen rust. Aan de andere kant heb je wel afleiding. Je zit niet gespannen voor de televisie te denken hoe het de volgende dag zal gaan.”

Het allerbelangrijkste is de komende jaren: mentaal sterker worden. Coach Gerald: „Toen hij begon, kwam het besef dat hij goed was.” Vader Gejo: „Dat hij alles won, vond hij prachtig. Hij werd soms wel een beetje arrogant gevonden.” Gerald: „Vervolgens verwacht iedereen dat je altijd alles wint. Dat voelt hij ook. Dat verhoogt de druk.” Gejo: „Vervolgens krijg je dat mensen graag zien dat hij verliest.” Gerald: „En zich afvragen: wat doet Roel als hij verliest. Wordt hij boos? Gaat hij huilen?” Gejo: „Ik heb meegemaakt dat zestigers hem toefluisteren: ga huilen, ga huilen.” Waarom ze dat doen? „Afgunst, denk ik.”

Tikkende tijdbom

Vader Gejo heeft wel eens moeite met de commentaren van anderen. Een voormalig tafeltenniscoach die in een verslag op internet schrijft dat Roel „een tikkende tijdbom” is „die zodra het spannend wordt dreigt te ontploffen, hij heeft zichzelf dan niet meer onder controle”. Gejo: „Daar heeft hij last van. Als hij de persoon kent die zoiets schrijft, zegt hij: daar praat ik nooit meer mee.” Gejo begrijpt dat topsporters tegen kritiek moeten kunnen, dat het publiek een mening heeft. „Daar moet je mee leren omgaan.” Maar al die mensen die op de televisie een jonge voetballer afkraken? „Dat is toch verschrikkelijk. Je zult maar vader of moeder zijn.” En negatief schrijven over een kind? „Schrijf het dan wat genuanceerder op.”

Tafeltennis is een een sport die veel mentale weerbaarheid vereist. Coach Gerald: „De tegenstander probeert jou uit je ritme te halen. Die gebruikt een heel rare service of roept heel hard tsjooooooooohhhhh.” Vader Gejo: „Ik sprak laatst een goeie tafeltennisser die uiteindelijk heeft gekozen voor tennis. Die zei: ik werd gek van het psychologische spelletje, je staat zo dicht tegenover je tegenstander, het hangt van zo veel kleinigheden af, daar kon ik niet meer mee omgaan.” Bondscoach Titus Damsma oefent met Roel op „oneerlijke” situaties – een scheidsrechtelijke beslissing, een bal die net op de rand van de tafel valt. Met resultaat, zo bleek tijdens een toernooi vorige week in Italië. Aan het slot van een game kwam Roel door twee „mazzelpunten” van de tegenstander op achterstand. Vroeger zou Roel zijn „blijven hangen in de ergernis over wat hem was aangedaan door het heelal”. Nu accepteerde hij de tegenslag snel, en ging weer door. Hij kwam terug. „En uiteindelijk heeft de goeie god hem beloond voor zijn gedrag, kreeg hij op zijn beurt twee gelukkige punten, en won.”

Ook zelf kijkt Roel met genoegen terug op het toernooi in Italië. Hij won van een jongen die hoger geklasseerd staat dan hij. „Dat is voor mij weer een reden om harder te trainen.” Het gaat erom, zegt hij, op belangrijke momenten goed geconcentreerd te blijven. Of hij mentaal sterk is? „Het gaat steeds beter.”