De rechtsstaat blijkt dus ook te kunnen krimpen

Kan een 21ste eeuwse rechtsstaat ook kleiner worden? Als verwende burger van een West-Europees land, waar de rechtsorde past als een tweede huid, dacht ik daar nooit aan. Een land met een onafhankelijke rechtspraak, een zelfbewuste advocatuur, een (meestal) rechtstatelijk georiënteerd parlement en een uitvoerende macht die net als ieder ander aan de wet is onderworpen. Daar voel ik me behoorlijk veilig bij.

Toch is deze toestand niet vanzelfsprekend. In zijn politiecolumn van 9 februari (op nrc.nl/blog/rechtenbestuur) herinnerde politielector Guus Meershoek eraan dat de rechtsstaat steeds een langzaam uitdijend domein is geweest, een organisch groeiend geheel. „De rechtsstaat kreeg pas enige omvang eind negentiende eeuw, toen mensen ineens vrijer konden reizen, meer kranten konden lezen en in cafés en op straat over politiek gingen discussiëren. Toen werd meer mensen bescherming tegen onrecht geboden en werden meer burgers met sancties bedreigd omdat ook georganiseerde politie ontstond.”

Er waren ook fasen in de geschiedenis waarin de rechtsstaat kromp en mensen uitsloot. Denk aan tijden van oorlog en vervolging, maar ook aan de lichte anarchie van de jaren zestig toen het eigendom van een fiets was gesocialiseerd. Zo heb je rechten, zo zijn ze vergeten, weggeschreven of hebben ze korter of langer afgedaan.

De rechtsstaat als historisch verschijnsel, een conjunctuurgebonden bijproduct van de natiestaat die het in tijden van globalisering moeilijk kan krijgen. Zo zijn juristen niet gewend te kijken. In sommige politiekringen schijnen ze de nationale rechtsstaat al als museale constructie te beschouwen, ongeschikt om er de internationale wereld van drugssmokkel en cybercrime mee te lijf te gaan, begreep ik van Meershoek. Dat is voor juristen, gewend aan de ideale digitale wereld van verdragen, wetten, jaartallen en arresten, toch een schok. Die wereld van recht en orde kun je toch niet zomaar opzij vegen? Dat was toch niet de afspraak? Het dragende kenmerk van een rechtsstaat zit ‘m juist in de zelfcontrole - dat de macht uit zichzelf wetten en verdragen respecteert. Tenminste, dat denk je dan.

Maar ook als de afbraak zich voor je ogen voltrekt, is het nog moeilijk te geloven. Neem de afspraken die de Europese Unie met Turkije maakte over het ‘terugnemen’ van vluchtelingen die Griekenland hebben bereikt. Turkije kan juridisch op geen enkele manier als ‘veilig land’ worden gekwalificeerd. Turkije is ook niet voluit aangesloten op het vluchtelingenverdrag. Dat zie ik vreemdelingenjuristen met volle overtuiging betogen, tegen elkaar, vooral.

Juridisch kán het allemaal niet, wat er nu gebeurt. Er staat een bouwwerk van afspraken, over ‘land van eerste opvang’, een asielaanvraag doen in het land waar je bent aangekomen. Over niet teruggestuurd mogen worden naar landen die niet veilig zijn of die je gaan vervolgen. Maar dat hele bouwwerk lijkt in Brussel in één keer weggevaagd, door nieuwe politieke realiteiten. Als we dit niet doen, zo is de redenering, dan wordt de Unie overlopen door een paar miljoen ontheemde migranten – en dat wil niemand. Dus wordt de rechtsstaat voor deze categorie migranten met spoed ingekrompen, zowel de Europese rechtsstaat als kennelijk die van de lidstaat waar de vluchteling zich toevallig meldde. Ze doen gewoon even niet mee aan de normale rechtsorde. Voor mensenrechten is even geen tijd.

Hoe breng je dat weer in het reine met elkaar? Nu is haasje-over binnen de trias politica op zichzelf niets nieuws. De politiek verzint iets, schrijft een nieuwe wet, sluit een verdrag en de (internationale) rechter past toe, legt uit of corrigeert. Waarna de politiek weer aan zet is. Een dialoog tussen recht en macht, zo gaat het, meestal. Bij grote crises, zoals de migratiestroom, neemt de politiek voorrang. En dat is ook wat de burger wil - politiek, doe iets! Maar tegelijk mag je verwachten dat bestaande juridische kaders, die diepe historische wortels hebben, daarbij niet totaal verlaten worden. En daar lijkt het nu toch wel op.