De macht van de blik

Op de expositie ‘Carambolages’ in Parijs brengt Jean-Hubert Martin kunst uit alle tijden en culturen bijeen. Het gaat hem puur om het plezier van het kijken.

Mesopotamisch ogen-beeldje

In 1989 maakte de Franse curator Jean-Hubert Martin de legendarisch geworden tentoonstelling Magiciens de la Terre, waar hij werken van ‘tovenaarkunstenaars’ van over de hele wereld samenbracht. Nu houdt Martin met de tentoonstelling Carambolages in het Grand Palais in Parijs opnieuw een vlammend pleidooi voor het onbevangen kijken naar kunstwerken, zonder kunsthistorische, politiek-correcte of welke regels dan ook. Te zien zijn 185 kunstwerken uit alle stijlperiodes en werelddelen. Huberts belangrijkste criterium bij de keuze van werken voor een tentoonstelling is of het werkt. Gebeurt er iets afwijkends, vreemds in de combinatie van deze beelden? Wordt de verbeelding geprikkeld, het geheugen in werking gezet?

Carambolages bestaat uit een aantal thematische hoofdstukken, waarbij kunstwerken als een keten aaneen zijn geregen op grond van een puur associatieve samenhang. Meestal is de associatie gebaseerd op overeenkomst van een bepaalde vorm of van een bepaald motief.

Het meest uitbundige hoofdstuk is de reeks ‘Schedels en Geesten’. Aan de muur hangt een metershoge afbeelding van een doodskop, gemaakt van honderden handschoenen met puntige kleurpotloden uit de slappe vingers – een werk van de Franse kunstenaar Annette Messager uit 1999. In de vitrine ernaast ligt een doodshoofd, een zeventiende-eeuws reliek uit Zwitserland, grijnzend in een kistje dat overwoekerd is met edelstenen, goud en zilver. Bezwering van de dood door overdadige en rituele ornamentatie, het komt in alle tijden en culturen voor.

Een Asmatschedel (circa 1900), behangen met witte veren en snoeren van schelpen, heeft op de plek van de neus een groot symmetrisch ornament van twee spiralen. In een volgende beeldenreeks zie je die spiralen weer terug in de grote ogen van een sober Mesopotamisch beeldje, daarna in twee oorschelpen van een antiek Griekse ex voto, en vervolgens in een geabstraheerd koperen mensfiguurtje uit Noord-India uit het tweede millennium voor Christus. De associatie is hier dus puur een kwestie van vorm. Martin nodigt ons uit om de interpretatie van het kunstvoorwerp op grond van herkenning en van kunsthistorische kennis achterwege te laten of in ieder geval uit te stellen, en zich volledig over te geven aan het plezier van het kijken.

Illusie

Het associatieve spel kan ook een heel andere dan een formele kant opgaan. Op een prent (1831) van de Japanse kunstenaar Hokusai duwt een half vergaan lijk met stakerige vingers een muskietennet opzij. Het doorzichtige muskietennet oogt als een dunne doek die ‘voor’ de afbeelding hangt en ‘waarachter’ het spook te voorschijn komt. Dit motief leidt de kijker naar een zestiende-eeuws Italiaans schilderij, van een visioen waarin de Heilige Familie verschijnt boven de stad Verona. Op het schilderij wordt onze wereld, waarin Maria en Jezus als half-zichtbare mistflarden verschijnen, opgerold als een doek. Achter dit doek openbaart zich een paradijselijke tuin waarin de Familie zich ‘echt’ bevindt. Het schilderij ontmaskert de fysieke wereld als bedrieglijke sluier, als trompe-l’oeil. In de Japanse prent en het renaissanceschilderij wordt een tweede illusoire ruimte geopend – ‘achter’ het transparante muskietennet en ‘achter’ de lucht boven Verona. Tegelijkertijd wordt daarmee de aandacht gericht op het feit dat het werk zelf stoffelijk is, inkt op papier of verf op linnen. een vel papier of een stuk doek dat opgerold wordt.

Met het Visoen boven Verona is de bezoeker beland in de reeks ‘Achter het Doek’.Het wemelt hier van de spelletjes met vlak, diepte en illusie.

De eindeloze verscheidenheid aan kunstvoorwerpen die op Carambolages bijeen zijn gebracht, zou gemakkelijk kunnen ontaarden in een vormeloze brij. Maar dat is niet gebeurd. Integendeel, het is een geïnspireerde reis door de beeldende kunst die nergens de concentratie verliest. ‘Carambolages’ verwijst naar het biljartspel, waarbij de speler door een stoot tegen één bal er nog eens twee aanstoot. De titel geeft aan dat kunstwerken niet slechts één betekenis of context hebben, zoals die wordt voorgeschreven in een (kunst-)historische chronologie; nee, ze maken deel van uit een veel complexer geheel. Ieder voorwerp kan de aanleiding zijn tot minstens twee andere associatieve lijnen, en liefst meer.

Ogen en borsten

Alles draait op deze tentoonstelling dus om aandachtig kijken en om de macht van de blik. Er zijn dan ook veel afbeeldingen van ogen te zien en het kijken zelf wordt overal gethematiseerd: zeven grote ogen op een rotsblok in een Visioen van Zacharia (1722), ontelbare ogen op een ritueel masker uit Nieuw-Guinea, bloeddoorlopen oogballen bij Hokusai, met schelpen versierde oogkassen, getekende studies van ogen.

Maar er zijn ook reeksen van kunstvoorwerpen die handen, voeten, benen en borsten tot thema hebben. De peervormige borsten van de Romeinse Artemis van Efeze zijn talrijk, Agatha’s borst in de greep van een gekartelde tang is kogelrond, en er is een witte kom van Sèvres-porselein die toebehoord zou hebben aan Marie-Antoinette. De Sèvres-kom hangt in een porseleinen houder en heeft een onwaarschijnlijk roze, zachte tepel.

Kunstwerken zijn lichamelijk en het kijken ernaar is dat evenzeer. De mocassins gemaakt van berenklauwen, met vacht en tenen en scherpe nagels en al, je voelt ze met je ogen aan je voeten. Het kijken naar de pijl die een hertenkop heeft doorboord, op een gravure van Dürer, doet de atheïsten onder ons veel meer pijn dan het kijken naar martelingen van heiligen, zo stelt Martin. Zijn vraag is dan ook: hoe kan de tentoonstellingsmaker kunstwerken, van alle tijden, zó presenteren dat een hedendaagse kijker er door geraakt wordt?

Martins tentoonstelling en zijn tekst in de catalogus zijn een felle aanklacht tegen musea en conservatoren die obsessief bezig zijn om kunstwerken te categoriseren en van programmatische uitleg te voorzien. Ze beperken daarmee de blik, stoppen het kijken in een keurslijf. Het gaat in de kunst niet om connaisseurschap en al helemaal niet om meesterwerken, aldus Martin: ieder voorwerp dat ooit is verzameld is onze aandacht waard. Het is volgens hem dan ook volstrekt ongeoorloofd dat musea voorwerpen uit hun collecties verkopen. De waardering van kunstvoorwerpen is sterk onderhevig aan modes. Een werk dat nu misschien ligt te verstoffen in een depot kan morgen plotseling betekenisvol blijken te zijn.

Kunstenaarsmusea

Er zou in de museumwereld, zo stelt Martin, veel meer rekening gehouden moeten worden met de manier waarop kunstenaars met kunst omgaan. Kunstenaars hebben een niet-hiërarchische en visuele omgang met kunstwerken. Aan ‘correcte’ kunsthistorische interpretaties laten zij zich weinig gelegen liggen en aan de marktwaarde van kunstwerken evenmin. Modes in de waardering van kunst zijn meestal het gevolg van de herontdekking van kunstwerken door eigentijdse kunstenaars. Martin herinnert eraan dat het ooit in de achttiende eeuw, toen het fenomeen ‘museum’ nieuw was, vanzelfsprekend was dat kunstenaars museumdirecteur waren en het aankoopbeleid bepaalden.

Het pleidooi van Martin moet serieus worden genomen. Het zou een goed experiment zijn om kunstenaars de verantwoordelijkheid te geven voor het het aankoop- en expositiebeleid van musea. Daarmee zou benut worden waar ze zo goed in zijn: kijken naar kunstwerken en deze op waarde schatten.