Boulez-fans, zijt gij daar nog?

Parool-criticus Erik Voermans beschikt over een fenomenale kennis van de hedendaagse muziek. In zijn bundeling stukken laat hij de lezers bovendien regelmatig lachen. Om Stockhausen bijvoorbeeld, die van Sirius zei te komen.

Karl-Heinz Stockhausen achter de knoppen bij de uitvoering van het Helicopterkwartet in 1995. Foto Willem Middelkoop/ Hollandse Hoogte

De Duitse componist Karlheinz Stockhausen (1928-2007) stond bekend als doorgewinterde structuralist. In zijn muzikale universum (letterlijk te nemen: hij was naar eigen zeggen afkomstig van de ster Sirius) hing alles met alles samen. Zijn lichtelijk megalomane muziektheatercyclus Licht, die de zeven dagen van de week beslaat, leidde hij volledig af uit een zogenaamde ‘Superformule’. Erik Voermans (1958), muziekredacteur van Het Parool, stelde Stockhausen daarom een scherpzinnige vraag: hij vroeg hoe het slotakkoord van de cyclus eigenlijk met die Superformule samenhing. „Stockhausen pakte de partituur erbij, zette zijn bril op, bladerde naar de laatste pagina, keek eens goed naar de noten, en zei toen, tot mijn totale verbijstering: Keine Ahnung.”

Wie geïnteresseerd is in eigentijdse muziek kan zijn hart ophalen aan Van Andriessen tot Zappa, een keuze uit 25 jaar muziekjournalistiek van de bovenste plank. Het is een boek waarbij je regelmatig in de lach schiet om Voermans’ rake typeringen, zijn zelfspot en geestige terzijdes, maar waar je ondertussen een heleboel van opsteekt. Zijn kennis van zaken is fenomenaal, en Voermans weet telkens een originele invalshoek te vinden. Zo schetst hij in bovengenoemd stuk niet alleen een prachtig beeld van de excentrieke Stockhausen, hij nuanceert en passant ook diens systeemdwang.

Muziekpaus

De verhalen gaan over 73 verschillende componisten, van wie Voermans er 55 heeft geïnterviewd. Met vijf titels heeft Stockhausen de meeste hoofdstukken gekregen, maar daar zitten wel twee recensies en een necrologie bij. Stockhausen wordt op de voet gevolgd door de Nederlanders Louis Andriessen, Michel van der Aa, Otto Ketting en Theo Loevendie (ieder vier). Aan Pierre Boulez (drie stukken) is veruit het langste artikel gewijd, een geweldig portret van een moeizaam interview dat Voermans „nog weleens over zou willen doen”. In een apart katern staan schitterende, komische componistentekeningen van de hand van Paul van der Steen.

De alfabetische ordening van de hoofdstukken maakt dat je als lineaire lezer voortdurend door de tijd springt. Het zicht op ontwikkelingen in het muziekleven van de voorbije kwarteeuw is daardoor wat diffuus. Daar staat tegenover dat de componisten, vaak in verschillende, opeenvolgende artikelen, knap tot leven worden gewekt. Je ontmoet ze op diverse momenten in hun carrière, je volgt hun plannen en successen, je schrikt soms van een plotse dood.

Van Andriessen tot Zappa opent niet-alfabetisch, maar met een hoofdstuk over de Amerikaanse muziekpaus Richard Taruskin, bekend van standaardwerken over Stravinsky en de gigantische Oxford History of Western Music. Voermans vond het indertijd, in 2001, „het belangrijkste stuk dat ik ooit had geschreven” – „kuch” voegt hij eraan toe –, maar de ernst is echt. Het belang zit hem in de manier waarop Taruskin messcherp het naoorlogse modernisme, en dan vooral het werk van Voermans’ held Boulez, afmeet aan de muziekgeschiedenis. Want wat hoor je nu eigenlijk, in Boulez’ atonale meesterwerk Le marteau sans maître? De structuur is alleen door analyse te achterhalen, wat een „hoorpsychologisch” probleem oproept. Je luistert naar een aantrekkelijk oppervlak. Hier wordt het hoger, hier lager, hier sneller. Dat is welbeschouwd luisteren „als een caveman”, aldus Taruskin. Stel je voor dat we op die manier naar Beethoven zouden luisteren! Je hoort de interviewer bijna slikken. „Boulez-fans, zijt gij daar nog?” Thuis zet Voermans met angst en beven Le marteau sans maître op. Goddank klinkt het stuk nog even mooi.

Het boek is een ‘afscheid van een epoche’, die Voermans „zonder ook maar het geringste spoortje van twijfel als de interessantste en in elk geval de kleurrijkste in de geschiedenis van de muziek” beschouwt. Die flinke claim wordt onderbouwd door het bonte gezelschap toondichters dat de revue passeert. Behalve over modernistische iconen als Boulez en Stockhausen schrijft Voermans ook verhelderend over oerminimalist Terry Riley en postminimalist John Adams, over de immens populaire Simeon ten Holt en Ludovico Einaudi (op wie menigeen in de klassieke sector neerkijkt), over ambient-goeroe Brian Eno en over de volstrekt vergeten radicaal Jakob van Domselaer. Hij wijdt een diepgravend stuk aan zijn opperheld Frank Zappa, die in 1992 al te ziek was voor een interview en een jaar later overleed. Dat „notitieblok met duizend vragen” kon de prullenbak in.

Een opvallend manco is de ondervertegenwoordiging van vrouwen: slechts twee. Dat ligt niet aan hen, bezweert Voermans, maar aan hem: in het selectieproces zijn stukken over vrouwelijke componisten afgevallen op grond van de ‘kwaliteit van het geschrevene’.

Recensentenhel

Gaandeweg de stilistisch gave verhalen gebeurt iets grappigs: niet alleen leer je steeds meer componisten kennen, er ontstaat ook een karaktercollage van de auteur. Typerende anekdotes zijn legio. Bij een integrale uitvoering van Vexations van Erik Satie – 840 keer hetzelfde ongrijpbare melodietje – is Voermans de enige van het handjevol bezoekers die 21 uur wakker blijft, waarbij hij als een muzische Thomas de Quincey zijn psycho-akoestische wanen noteert. Tijdens de eindeloze zoektocht naar het huis van Stockhausen (die sprekend op zijn vader blijkt te lijken), in de bossen rond het Duitse dorp Kürten, wordt Voermans op een zeker moment zélf aangezien voor de teruggetrokken componist.

„Als er een recensentenhel zou bestaan”, speculeert Voermans, „en we mogen dit absoluut niet uitsluiten, dan stel ik me daar een ruime, vensterloze kamer bij voor, met in het midden een gerieflijke stoel en aan de muren een stel luidsprekers van de beste kwaliteit. Tot zover niks aan de hand. Maar dan komt het. Uit die luidsprekers klinkt onophoudelijk je eigen stem (dat is al erg genoeg), die steeds opnieuw je allerberoerdste stukjes voorleest.”

Iemand moet Voermans wijzen op het tegenoverliggende vertrek, waar een hemels koor non-stop voordraagt uit zijn beste werk, dat met gulle hand tussen Andriessen en Zappa is verzameld.