Bij de gewonemensenrechter

De automatisering bij justitie is bijna opgerukt tot aan de kantonrechtspraak. Een bedreiging van hun werk, vinden veel rechters. „Langzaam aan wordt de menselijke maat eruit gezeefd.”

Het is op de zitting van kantonrechter Marchien Terwee vanochtend druk. Enige tientallen burgers wachten in een van de grote rechtszalen van de Amsterdamse rechtbank op hun beurt. De zaal is hoog en lelijk. Achter de rechter hangt een non-descript kunstwerk met wat horizontale gele strepen. De muren zijn van mammoet grinttegels, gevat in beton.

De meeste wachtenden houden een plastic boodschappentasje in de hand geklemd. Daarin zit de dagvaarding – en de administratie. Het tasje wordt steevast op de tafel van de kantonrechter uitgepakt. Waarna rechter en burger een gedempt gesprek voeren, dat een paar minuten duurt. Gêne overheerst. Over schulden praat niemand graag hardop.

Ik zie een corpulente man op krukken, een moeder met kinderwagen en twee kleine kinderen. Vrijwel niemand trekt zijn jas uit. Velen kunnen hun schulden niet meer betalen, anderen vergaten het of zijn het met de rekening oneens. Het varieert van de luid sprekende, sjofele psychiatrische patiënt die geen eigen bijdrage wil betalen voor de dagbesteding waar hij niet meer naar toe gaat, tot de Engelstalige heer in geklede winterjas die zijn tandartsrekening vergat en nu een onbegrijpelijke dagvaarding voor ‘incassokosten’ krijgt. Hij is een uitzondering – armoe en onvermogen overheersen.

Ik observeer een week lang de Amsterdamse kantonrechtspraak. Naast rechter Terwee staat nu nog een tafel met dossiers. Binnen drie jaar moet een groot deel van de papieren dossiers, dagvaardingen en andere processtukken zijn verdwenen. De rechters maken zich zorgen – kunnen hun ‘klanten’ de digitalisering wel aan? Van een DigiD hebben de meesten nu al nooit gehoord.

Elke dag twee postzakken vol

Ieder jaar ontvangt het Amsterdamse ‘team kanton’ 40.000 dagvaardingen van deurwaarders. Iedere werkdag bijna twee postzakken vol. 80 procent van de burgers verschijnt niet en laat de gevolgen over zich heen komen. De rest stuurt een brief of komt op de rolzitting, om uitleg te geven of uitstel te bepleiten of te protesteren. De rechter bepaalt hoe snel of langzaam de procedure zal verlopen.

Het is gewone-mensenrechtspraak. De rolzitting is de intake: de eerste stap van het proces, vooral bedoeld als inventarisatie, om stukken uit te wisselen. Erkent de burger de schuld? Dan is de zaak binnen twee weken afgedaan. Of is er een feit dat de zaak in een ander daglicht zet? Klopt de dagvaarding wel? Heeft de burger een verweer en is hij in staat dat zelf op te schrijven en in te dienen? Zo niet, dan dicteert de kantonrechter dat meteen aan de griffier, die naast haar zit. De rechter als rechtshulpverlener, nooit eerder zag ik dat.

Vanochtend luistert griffier Angela Garcia mee. Ze tikt de gedicteerde verweren op, neemt de briefjes van de bode aan met namen van burgers die zijn verschenen en organiseert de dossiers. Er zitten twee spookzaken in de stapel: daarvan ontbreken de dagvaardingen. En één geval van persoonsverwisseling; een school eist inschrijfgeld van de broer, maar het betrof zijn zus, met dezelfde initialen.

Rechter Terwee is een tengere, kleine vrouw, die er in toga achter de tafel opeens groter uitziet. Ze staat de klanten kordaat en vriendelijk te woord. Vanaf de voorste rij kan ik haar nét verstaan. Bent u al bij de schuldhulp geweest, dat schept namelijk vertrouwen, zegt ze op gedempte toon. Of: heeft u daar bewijs van? Soms adviseert ze. U kunt degene die u dat toezegde vragen om als getuige te komen. U kunt ook vragen of ze de telefoonnotities willen overleggen. Of ze legt uit dat de wet hard is. Nee, op een betalingsregeling hoeft de schuldeiser niet te wachten. Uw verhuurder wil vooral een stok achter de deur – daarom vragen ze ontruiming. Of: weet u zeker dat u wilt procederen – dat kan u nog veel geld kosten. Heeft u dat? Eenmaal zegt ze „Ik kan niet helemáál uw advocaat spelen, maar was dat nou wel zo’n verstandig advies?” In een vorig leven was Terwee inderdaad advocaat, net als veel kantonrechters.

De dagvaardingen komen van verhuurders, verzekeraars, de overheid (eigen bijdragen), onderwijsinstellingen en bedrijven (telefoon, postorder). Voor de gas- water- en lichtachterstanden heeft het kantongerecht een aparte zitting – daar zijn de schuldeisende bedrijven aanwezig en kan ter plaatse een betalingsregeling worden getroffen.

Ik hoor gefluisterde protesten. Ze willen 600 euro per maand, maar ik kan maar 250! Ik moest cash betalen, anders werd ik in het weekend niet geholpen dus ik héb helemaal geen bewijs! Sommigen vertrekken opgelucht bij haar tafel, anderen gefrustreerd. Rechter Terwee krijgt een paar keer een hand. „Succes”, zegt ze dan. Of „sterkte”.

Een cascade aan kosten

Niets is zo duur als niet betalen, zo wordt me snel duidelijk. Er komt een onbetaalde rekening van €42,22 voorbij, die met griffierecht, kosten dagvaarding en ‘salaris gemachtigde’ wettelijk is verhoogd tot een schuld van €263,69. En daar valt in beginsel niet aan te ontkomen. Wie op de rolzitting aankondigt de vordering te betwisten neemt het risico ook de proceskosten van de tegenpartij te moeten betalen – dat kan in de honderden euro’s lopen, extra.

En dan is er nog het fenomeen van de buitengerechtelijke kosten – het tarief dat bedrijven en instellingen hun klanten mogen berekenen als ze niet op tijd betalen. Die opslag mag maximaal 15 procent van de hoofdsom bedragen. Daarvoor is een aanmaning voldoende, met de opdracht binnen 14 dagen te betalen. Dan moet de deurwaarder of dagvaarding dus nog komen.

Niet op tijd betalen brengt een cascade aan kosten op gang, die burgers met een minimum inkomen snel onder water kan trekken. Marchien Terwee: „Hoe groter de achterstand, hoe groter de kans dat ze nooit meer betalen.” Ook die burgers zie ik die ochtend – ze fluisteren over ándere schulden, over regelingen en grotere achterstanden. Terwee hoor ik herhaaldelijk waarschuwen ‘niet het ene gat met het andere dichten, hoor!’ Zo bezien is ze net een badmeester die kijkt wie ze met de reddingshaak nog op het droge kan trekken.

Tegelijk zijn de kantonrechters ook ferm. In Amsterdam geldt dat een huurachterstand nooit meer dan drie maanden mag zijn. Wie vier of vijf maanden niet betaalt loopt bij iedere kantonrechter tegen een uitzettingsvonnis op. „Wonen is niet gratis, daar zijn we het allemaal over eens”, zegt Terwee, na afloop. Van feitelijke uitzetting komt het overigens zelden. In een huurzaak hoor ik later die week een deurwaarder zeggen dat de wanbetaler van de woningbouwvereniging nog ‘kans op kans op kans’ krijgt als het uitzettingsvonnis is uitgesproken. Deze schuldenaar kon net aan ontbinding van het huurcontract ontkomen omdat hij z’n lijfrentepolis van 5.000 euro kan verkopen. Hij krijgt uitstel, maar de rechter waarschuwt dat de woningbouwvereniging een volgende keer al bij één maand achterstand uitzetting kan vorderen. En dat ook doet. De man staat desondanks stralend van opluchting op; hij heeft het weer gered, op het nippertje.

Leefgeld: 40 euro per week

Wie er financieel helemaal niet meer uitkomt wordt onder bewind gesteld, op eigen verzoek, van de familie of van hulpverleners. Een bewindvoerder neemt dan voortaan alle budgetbeslissingen – de burger krijgt ‘leefgeld’, soms niet meer dan 40 euro per week. Rechter Ad Ros heeft alleen al 1.500 ‘bewindzaken’ in portefeuille. Daarnaast doet hij, net als de andere 22 kantonrechters huur-, arbeid- en strafzaken. Ros is een routinier; tot een paar jaar geleden werkte hij in het nog zelfstandige kantongerecht in Hilversum. Hij heeft een lichte heimwee naar het fraaie villa-achtige gebouw, waar hij op de fiets naar toe kon. Het staat nu leeg, en te koop. In Amsterdam controleert Ros onder meer de bewindvoerders en beslist over voortzetting van het bewind. Hij ziet het beroep op deze vorm van bescherming de laatste jaren toenemen. „De mensen komen er zelf om vragen.” En de gemeente moet de bewindvoerder betalen, meestal uit de ‘bijzondere bijstand’.

Sociaal zwakkeren, werklozen, migranten, patiënten – vaak zijn ze de weg kwijt in het ingewikkelde systeem van eigen bijdragen, toeslagen en zelf te betalen ziektekostenpremies. De neerwaartse spiraal eindigt dan bij de kantonrechter – die handhaaft, maar reddert en matigt ook. Burgers die hun problemen verdringen hebben de overhand. Mensen met weinig reserves, marginale banen en lage inkomens die door ziekte, werkloosheid of persoonlijke omstandigheden vastlopen. Ze openen hun post niet meer, negeren hun verplichtingen, als ze die al kennen. Het ‘systeem’ reageert met naheffingen, strafverhoging, incassokosten of juist strafverlaging.

Soms trapt de kantonrechter op de rem. Vorig jaar maakten de kantonrechters landelijk een einde aan de grote aantallen gijzelingen die het OM eiste. Deze vorm van ‘lijfsdwang’, opsluiting dus, was bedoeld voor wanbetalers die (bewust) niet wíllen betalen. Maar op de zittingen verschenen alleen maar mensen die niet kónden betalen. Toen is de rechter structureel gijzeling gaan weigeren, en moest de staat zich aanpassen.

Dreigen er meer rechterlijke acties om de burger te beschermen tegen een te repressieve overheid? Teamvoorzitter Liedeweijde Voetelink denkt dat er met maatwerk op individueel niveau nog genoeg kan worden gecorrigeerd. Kantonrechter Erik Pennink aarzelt. Hij vindt de stapeling van problemen bij steeds dezelfde burgers wel een probleem worden. Maar: „Het is niet onze rol om dat aan de kaak te stellen.” Toch sluimeren er ergernissen bij rechters. De ‘bizarre’ opslagen van de Rijksdienst voor het Wegverkeer bij onverzekerde brommers bijvoorbeeld. Een burger die een boete krijgt voor onverzekerd rijden en niet reageert op de eerste verhoging zit binnen een jaar van 330 euro op bijna duizend. Voetelink noemt dergelijke opslagen voor de gewone burger „niet te doen”. Het is een trend die allen zorgen baart. Wie met zo’n uit de bocht gevlogen boete op zitting komt en uitlegt waarom het de afgelopen periode niet zo goed ging, treft een willig oor, althans in Amsterdam. De boetes gaan omlaag of worden geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk.

Pennink meent dat er in het kleine strafrecht een wanverhouding is ontstaan tussen de aard van de overtreding en de sanctiehoogte. Een boete van 220 euro voor wie in de metro de deur open houdt om nog net mee te kunnen? 135 euro voor het niet aanlijnen van de hond? Hij schudt z’n hoofd. Dat is niet goed uit te leggen.

Zwartrijden en wildslapen

Op ‘bulkzittingen’ worden tientallen zaken behandeld, soms in niet meer dan vijf minuten, of hooguit een kwartier per zaak. Er wordt meteen uitspraak gedaan. Ik maak twee bulkzittingen mee. Eén met hoofdzakelijk parkeerbeschikkingen, onder leiding van kantonrechter Caspar Inden. En één met kleine overtredingen als zwartrijden, wildslapen, rondhangen, beledigen en dronkenschap, geleid door Erik Pennink. In het gros van de zaken wordt de geldstraf die het OM eist, verlaagd of omgezet in voorwaardelijk. Geëiste proeftijden worden gehalveerd. Met als motief veelal het tijdsverloop – de meeste zaken zijn ten minste een of twee jaar oud. Eén mevrouw komt protesteren tegen een boete voor haar niet aangelijnde hondje dat al twee jaar dood is.

Caspar Inden laat me een gemiddeld proces-verbaal zien: dat blijkt te bestaan uit een rijtje aangevinkte afkortingen. Handhavers met haast, zegt Inden, daar ben ik kritisch op. Een burger die daar op zitting een goed verhaal tegenover zet maakt kans. Zeker als het OM geen aanvullende informatie heeft. Het beroep is dan gegrond. „Veel collega’s denken er zo over. Misschien word je wel eens gefopt, maar dat moet dan maar.”

De kwaliteit van de strafdossiers die de politie instuurt, of handhavers van gemeente of ov, is matig, zegt Pennink. In ongeveer dertig procent van de dossiers zit geen wettig bewijs. Of ze zijn zó summier dat onduidelijk is wat er nu precies is waargenomen. Het hele proces van vervolging bij justitie is geautomatiseerd. Bij het parket „kijkt daar vrijwel niemand meer inhoudelijk naar”, zegt Pennink. De burger die bij de kantonrechter dan bezwaar komt maken, heeft snel het voordeel van de twijfel. Ook bij de officier trouwens – die eist soms zelf al vrijspraak, vermindert boetes of vraagt om voorwaardelijke straffen. De strafzittingen lijken zo net een publieke archiefopruiming van justitie, met officier en kantonrechter die om de beurt trachten vast te stellen of je dit gedrag nu nog wel laakbaar kan vinden. Als het dat al ooit was.

Computer says no

Zoveel bagatelzaken en oude kwesties – heeft dit nog wel zin? Pennink zegt dat „voor de manier waarop de staat met mensen omgaat” het in een aantal van dergelijke zaken veel beter zou zijn als de burger een briefje van justitie krijgt met een inhoudelijke reactie of de opmerking dat van vervolging wordt afgezien. Eigenlijk is de overdaad aan irrelevante zaken een ongewenst neveneffect van de automatisering bij het OM, begrijp ik. Dat moet, zegt Voetelink, vooral niet ook gebeuren bij het werk van de kantonrechter. „Langzaamaan wordt de menselijke maat eruit gezeefd”, zegt ze.

Automatisering, als bedreiging van de kwaliteit van de rechtspraak. Deels is het vrees voor verlies aan autonomie, voor verlies van greep op het eigen werkproces. Voor het fenomeen ‘computer says no’ – daar zijn al slechte ervaringen mee opgedaan. Glimlachend vertelt Pennink dat hij al „sinds augustus” bezig is om een uitspraak ‘het systeem in te krijgen’. De computer weigert alle medewerking omdat er door het OM per ongeluk een ‘sepot’ geregistreerd is. „Maar ja, de uitspraak is gedaan, die man was er, en die rekent nu op zijn vonnis.” De IT-experts zijn aan het werk, maar het kan nog wel een maandje duren. Zo zijn er al meer doodlopende steegjes ontdekt in de productiesystemen die nu worden getest. Voor straks.

De ‘digi-vrees’ van de kantonrechters is hoofdzakelijk pure bekommernis met hún burgers, stel ik vast. De mensen met de plastic tasjes, die gegarandeerd nooit de weg naar welk digitaal bezwaarportal dan ook zullen kunnen vinden. „Ik krijg ook de Afghaanse groenteboer op zitting, die zijn 12-jarige zoontje als tolk meeneemt”, zegt Voetelink. Dan vraagt ze het jochie eerst of de juf wel weet dat hij op de rechtbank moet tolken. En zo niet, dan schrijft ze eerst een excuusbriefje voor school.

De kantonrechter is toegankelijk en dat moet vooral zo blijven. „Je moet voor onze vorm van rechtspraak niet de indruk gaan wekken dat die geheel digitaal zal worden”, zegt Pennink. Dat kan namelijk niet, meent hij. Toegang tot de rechter is in essentie het recht om op de zitting je verhaal te mogen doen. Maar dan moet je daar wel de weg naartoe kunnen vinden, zonder al te veel drempels. Nu kan dat nog met een handgeschreven briefje – de griffie krijgt verweerschriften in alle soorten en maten. Of mondeling, via de rolzitting. Maar straks?