Column

Als economen zouden twijfelen...

Marike Stellinga is econoom en schrijft op deze plek elke zaterdag over politiek en economie.

Nog even over economen. Wat ik ingewikkeld vind aan de kritiek op economen is dat die grofweg uiteenvalt in twee tegengestelde verwijten. Eén verwijt klinkt als volgt: de economische wetenschap is een religie die gelooft dat mensen rationeel handelen in hun eigen belang, dat markten perfect functioneren en de overheid eerder verstoort dan helpt. Daardoor zagen economen de crisis niet aankomen. Economen zijn kortom een nogal wereldvreemde, eensgezinde club, of beter: een sekte. 

Het tweede verwijt is juist: ze zijn het nooit eens, die economen. Grappen in de trant van ‘vraag drie economen om hun mening en je krijgt er vier’ zijn klassiekers. Daarbij hoort het verwijt dat de onenigheid ideologisch gekleurd is: een linkse econoom kijkt anders dan een rechtse.

Beide verwijten hebben een kern van waarheid, bleek vorige week uit een onderzoek onder 713 Nederlandse economen van Harry van Dalen, Arjo Klamer en Kees Koedijk. Zij ondervroegen deze economen, deels werkzaam op de universiteit, deels econoom met een niet-wetenschappelijke baan, ruim een jaar geleden. Ze stelden vast dat bij een deel van de economen de politieke kleur een rol speelt bij hoe ze denken dat de economie werkt. Toch is er ook brede consensus. Bij 4 van de 14 stellingen waren economen het zeer eens met elkaar:

1. Het overheidsbeleid inzake belastingen en uitgaven kan een effectief instrument zijn in het stabiliseren van de economie: 78 procent eens.

2. Een marktsamenleving genereert meer groei en welvaart dan een socialistische samenleving: 74 procent eens.

3. Importtarieven en importquota verminderen de economische welvaart: 71 procent eens.

4. Financiële markten schatten de waarde van aandelen precies op hun intrinsieke waarde: 77 procent oneens.

Economen hebben dus belangrijke gedeelde inzichten. En die inzichten veranderen met de tijd, net als de politieke kleur. Was in 1994 de PvdA de populairste partij onder economen met 33 procent, in 2015 is dat D66 met 41 procent. Waarover zijn economen het oneens? Nou, over het monetaire beleid waarover u de afgelopen week economen elkaar in de haren zag vliegen. Over de schade van een minimumloon. Over de baten en kosten van immigratie.

Toen ik vorige week in deze column concludeerde dat economie een wetenschap is die zichzelf helemaal opnieuw moet bewijzen, kreeg ik een paar keer als antwoord: „Wetenschap?” Ja, ik noem economie een wetenschap, geen religie of sekte. Zij het verre van volmaakt. Eentje die om de paar decennia zijn inzichten radicaal bijstelt. Maar ook een die vaak dé oplossing predikt, die dan later meer dan eens stukloopt op de realiteit. Dit is zo’n moment. Ik kan u niet vertellen waar het heengaat met die inzichten. In het debat over het monetaire beleid van Mario Draghi durf ik geen kant te kiezen. Maar de maatschappij, het beleid, de wetenschap en de politiek zijn zodanig aan het veranderen dat dat wel moet leiden tot nieuwe en zonder twijfel ook heel andere inzichten.

De oplossing van economen om hun geschonden wetenschappelijk blazoen intussen op te poetsen is: laat twijfel zien en waarover je van mening bent veranderd. Zo bekende de zeer uitgesproken Amerikaanse econoom Paul Krugman onlangs van mening te zijn veranderd over het minimumloon. Dat bleek minder schadelijk voor de werkgelegenheid dan hij dacht. Hij concludeerde dreigend: „Als jij een econoom bent die dat nog nooit overkomen is, you should take a long hard look in the mirror.” Dus ontmoet u een econoom, vraag eerst waarover hij of zij van mening is veranderd. Als ze zeggen ‘nergens over’, weet u genoeg.