Wees de beste vijand van jezelf en anderen

In de Volledige werken van W.F. Hermans is nu ook Mandarijnen op zwavelzuur opgenomen. Een boek dat ondanks de tijdgebonden polemiek nog steeds fascineert, juist omdat hij er een literair ideaal in stopte.

Mandarijnen op zwavelzuur van W.F. Hermans is een ongemakkelijk boek. Dat het nu als zestiende deel van de Volledige Werken is verschenen in een wetenschappelijke editie is dan ook een sensatie, niet in de laatste plaat omdat een polemisch boek het snelst door de tijd wordt ingehaald. Het polemisch gehalte van Mandarijnen was al berucht na de verschijning van een eerste brochure bij Van Oorschot in (Het geweten van de Groene Amsterdammer of volg het spoor terug, 1955). Nadat ook de overige polemieken waren verschenen en Hermans van plan was de bundeling ervan te laten uitgeven, wilde geen enkele uitgever zich eraan wagen en zag hij zich gedwongen deze pas in 1964 in eigen beheer uit te brengen. En, zoals dat gaat bij veel dingen die mythisch zijn geworden, kun je er niet echt van houden maar blijf je er wel door gefascineerd.

De gebleven fascinatie voor het boek is niet te danken aan de affaires, ruzies en afrekeningen. Wat is immers nu nog het belang van de katholieke ‘terreur’-organisatie Idil, de Derde Weg, Theun de Vries’ propaganda voor het communistische Hongarije, en Hermans’ tijdschriftruzies met Adriaan van der Veen, H.A. Gomperts, Adriaan Morriën en J.B. Charles?

Als het daarvan zou afhangen, zou het boek alleen literair-historische waarde hebben. En dat ook nog maar heel gedeeltelijk, want de literatuurgeschiedenis van die jaren wordt gezien door de vertekenende bril van een uiterst humeurige schrijver die zich van het hele literaire wereldje zoveel mogelijk distantieert. Toch heeft Hermans zich in Mandarijnen juist intensief met dat wereldje bezig gehouden. ‘Ga eens netjes op een rijtje staan, mandarijnen! Shakespeare heeft niet meer zorg besteed aan Caliban dan ik aan jullie!’ staat er al in het eerste stuk.

Hermans steekt de draak met zijn collega’s, bestrijdt ze of probeert ze te kijk te zetten als politieke, morele of religieuze stropoppen. Diskwalificerende verzamelnaam voor allen: mandarijn. Het zijn voor Hermans de schrijvers die van de literatuur een gezellig minimaatschappijtje willen maken, waarbij vriendendiensten en na-aperij de regel vormen. Mocht je Hermans op z’n woord geloven, dan bestond heel de naoorlogse literatuur uit mandarijnen.

Dit is natuurlijk niet waar, en de vraag rijst dan ook waarom dit extreme boek dan toch van belang is. Hoe gek het ook klinken mag: omdat Hermans er iets positiefs in naar voren brengt, een literair ideaal dat veel belangrijker is dan zijn literaire omgeving en zelfs dan hemzelf. Het kan alleen via de negatieve omweg van afbreken en neerhalen gestalte aannemen.

In het eerste stuk, ‘Snerpende kritiek’ (1946), formuleert hij dat ideaal als het begrip ‘de verstrooide schrijver’, dat wil zeggen: de schrijver die alles verwaarloost wat niet met schrijven te maken heeft: ‘b.v. zijn huwelijk, zijn financiën, zijn carrière’: alleen nog maar interessant als ‘bijzonder materiaal’ voor het literaire werk.

Bij dit ideaal van de ‘verstrooide schrijver’ neemt hij dus afstand van alles wat van persoonlijk belang kan zijn. Dat extreme buitenstandpunt verschaft hem de legitimatie om zijn collega-schrijvers net zo onbarmhartig te bezien. Dán pas krijg je de literaire blik, aldus Hermans.

Voorwaar een bar ideaal, maar hoe radicaal ook, nieuw is het niet. In 1850 schreef Gustave Flaubert, nota bene in een brief aan zijn moeder: ‘Als we in het leven opgaan, zien we het niet goed, we lijden eronder of hebben er te veel plezier in. De kunstenaar, denk ik, heeft iets monsterlijks, hij staat buiten de natuur.’

In het meedogenloos strenge klimaat dat ‘de verstrooide schrijver’ schept, bestaan literaire vrienden niet. Alleen aan vijandschap valt eer te behalen. Mandarijnen is een boek over de deugd de beste vijand te durven zijn, in de eerste plaats van jezelf, en daarna vanzelf van anderen.

En toch worden de vijand-mandarijnen in dit boek niet zomaar weggeworpen. Integendeel, Hermans heeft ze hard nodig als zijn omweg naar het ideaal van de ‘verstrooidheid’. Hij legt ze onder een microscoop en beschrijft ze nauwkeurig. Mandarijnen is een poging om intimiteit te vinden in vijandschap.

Maar die bestaat natuurlijk niet. Want zo’n ‘verstrooide schrijver’ is onbestaanbaar en Hermans voldeed er zelf ook niet aan. Hij heeft prijzen afgezworen, maar ze later toch aangenomen, hij heeft nogal eens subsidie aangevraagd (en gekregen) en hij heeft zich, zeker na 1973, in ruime mate bezondigd aan wat hij in Mandarijnen nog honend ‘hoernalistiek’ noemt. Bovendien: hij was veertig jaar getrouwd, had een kind, hechtte wel degelijk waarde aan vriendschappen. Ideaal en werkelijkheid vloeken nu eenmaal, bij Hermans misschien wel hartgrondiger dan bij menig ander.

Ook om die reden is Mandarijnen een belangrijk boek: het is fictie, maar wel fictie die hard in het vlees van de werkelijkheid snijdt, niet alleen van de gekastijde collega’s, maar zeker ook van Hermans zelf. Want waar het Hermans om gaat, is dat de verstrooide schrijver zou móeten bestaan, en daarom gefingeerd uitgevonden dient te worden. Hij had ook een roman kunnen schrijven maar dan zou het ‘slechts’ fictie geweest zijn. En deze fictie werd kostbare werkelijkheid: iedereen was kwaad op de nietsontziende polemist en hijzelf heeft zich met dit boek ook in werkelijkheid vooral geïsoleerd. Je kunt je afvragen of Hermans niet alleen zijn collega-schrijvers offerde, maar ook zichzelf.

Mandarijnen is een ijskoud, maar ook frivool boek. Über-bluf om alle bluf door te prikken, waarbij de ironie van de soevereine stem de über-bluf weer relativeert. Het is dat spel dat Mandarijnen boven de inhoud van de polemieken uittilt en fascinerend maakt.

Dit wordt pijnlijk duidelijk als je het in deel zestien eveneens opgenomen Supplement leest, dat Hermans in 1983 aan Mandarijnen toevoegde en dat voor het overgrote deel bestaat uit zijn Weinreb-polemieken tegen Aad Nuis, Renate Rubinstein en anderen – over de rol van Friedrich Weinreb tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daar is Hermans namelijk zijn soevereiniteit kwijt. Daar wil hij gelijk krijgen, in plaats van alle en ieders gelijk op te blazen, zoals hij in Mandarijnen deed. In de blik van de ‘verstrooide schrijver’ uit Mandarijnen zou het Supplement geen genade hebben gevonden.

Arnold Heumakers zei eens dat verschillende pogingen om Mandarijnen na te volgen opmerkelijk genoeg van journalisten kwamen, onder wie Hugo Brandt Corstius en Theo van Gogh. ‘Hermans vlijtigste leerlingen’, maar ‘helaas zonder diens rechtvaardiging in de vorm van briljante romans en verhalen.’ Ook zij wilden hun gram halen in plaats van wat de vroege Hermans deed: een soort buitenwereldse gramschap fingeren. Wellicht berust de soevereine toon in Mandarijnen er op dat het een fel bijproduct was van een ‘verstrooid’ oeuvre.

Omdat Hermans in de loop van de jaren zeventig de soevereine toon van zijn polemische spel kwijtraakte, is het interessant dat tegelijk met de Mandarijnen-uitgave het deel van de Volledige Werken is verschenen met de laatste romans, waaraan hij in de jaren tachtig en negentig werkte. De literaire kritiek was over het algemeen lovend over zowel Een heilige van de Horlogerie als Au pair, Madelon in de mist van het schimmenrijk (het boekenweekgeschenk van 1993) en zelfs het onvoltooide Ruisend gruis.

In zijn romans en verhalen beeldt Hermans uit hoe iedereen een ‘gewone blik’ heeft en daarom steevast verdwaalt. Geen enkel personage is soeverein. Deze romans en verhalen zijn niet alleen de rechtvaardiging, maar ook het contrapunt van de polemieken. In de romans schetst Hermans via de omweg van zijn personages zijn eigen stekeblindheid, terwijl hij tegelijkertijd achter de schermen aan alle touwtjes trekt. In die dubbelrol blijft hij tot het einde een indrukwekkende schrijver.

Het ‘Commentaar’ in de Volledige werken bij deze romans laat zien hoe moeizaam het werk indertijd vorderde. Hermans begon in 1983 aan Au pair, maar voltooide deze roman pas in 1989. Omdat hij vastliep schreef hij tussendoor Een heilige van de horlogerie. Wie bedenkt dat hij al die jaren maandelijks essays publiceerde en in het ‘Commentaar’ leest over de rellen rondom zijn persoon, die ook in die periode aanhielden – de Zuid-Afrikarel na zijn bezoek aan dat land in 1982, de daarop volgende verbanning uit Amsterdam, de opheffing daarvan, de nawerking van ‘Groningen’, de roofdrukkwesties –, ziet hoe productief hij in die periode was, maar ook hoeveel energie hem dat kostte. Aan Frans Janssen schrijft hij in 1986: ‘Schrijven is altijd al een gevecht tegen spoken en hoe meer je op het punt staat zelf een spook te worden, hoe ongelijker de strijd wordt.’ En aan Rob Delvigne in 1988: ‘’t Schrijven over denkbeeldige personages is lastig, als je gedachten onwillekeurig steeds verwijlen bij de moeilijkheden van je eigen personage. Nu kan iemand natuurlijk wel besluiten dan maar alles over zijn eigen narigheid te boek te stellen, maar ik zie ook daar geen heil in. Mijn verleden vind ik miezerig en oninteressant en mijn heden ook al niet heroïsch.’

De soevereine polemist en de wanhopig zwoegende romanschrijver: de twee net verschenen delen van de Volledige werken laten zien dat beide kanten van Hermans veel meer met elkaar te maken hebben dan je op het eerste gezicht zou denken.

    • Wilbert Smulders