Van een lusthof naar een sukkeldrafje

Aanvankelijk draait het om frustratie en lichamelijkheid, maar in het laatste deel laat de even virtuoze als fysieke Wouter Godijn het realisme los. Dat is een tikje aan de late kant.

Het duurt langer dan normaal voor het abnormaal wordt in De liefdesmachine, de nieuwe roman van Wouter Godijn (1955). Pas in het derde deel van het boek lopen de zaken geestig-absurd uit de hand zoals in Godijns vorige, voor de AKO-prijs genomineerde roman Hoe ik een beroemde Nederlander werd. De eerste twee delen van De liefdesmachine zijn een relatief conventionele vertelling waarin de therapeut Alexander Lodewijk van Putten eerst zijn gezinsleven uit de doeken doet en daarna vertelt over de laatste maanden van het leven van zijn vader.

Om met dat eerste te beginnen: liefde lijkt aanvankelijk een groot woord. Zijn verhouding met de grote, sterke en dominante Wilmie – een vette karikatuur van een vrouw – is in de eerste plaats lustgestuurd. Omdat het gezin verder uit een meisjestweeling bestaat, voelt Van Putten zich thuis nogal opgejaagd. Als hij onvoldoende adequaat reageert op kuren van de wasmachine, roept zijn vrouw: ‘Hij is absoluut niet doof, meisjes. Hij doet alsof – want zoals altijd onttrekt jullie vader zich aan zijn verantwoordelijkheid. Hij zit liever in zijn hok ik-weet-niet-wat-en-ik-wil-het-niet-weten-ook te doen dan zich te bekommeren om zijn gezin.’

Veel draait in dat eerste deel om frustratie en lichamelijkheid: Godijn is een even virtuoze als fysieke schrijver. Op de achtergrond spelen nog gedachten over hoe zijn generatie begon in opperst links-revolutionair elan, om vervolgens een egocentrische draai te maken. Die neemt hij vooral waar bij zijn echtgenote: ‘Toen je dacht dat het zo hoorde knipte je je hoofdhaar kort, liet je okselhaar staan, trok een overall aan en kakelde over de gebreken van het kapitalistische systeem. Precies zoals je nu je tieten in een dure beha perst, een touwtje tussen je billen draagt, op D66 stemt en in een kapitalistisch appartement woont in plaats van in een antikapitalistisch slooppand.’

Morfine

In het tweede deel is het lijf geen lusthof meer. Daar gaat het om Van Puttens vader, wiens lichaam in een jaar tijd wordt verteerd door tumoren in zijn buik. De verzorging van de zieke gaat gepaard met veel vermelding van fysieke details en lichaamssappen, zeker als de bijna-stervende door morfine verdoofd in bed ligt en zijn zoon hem bij alles moet helpen (‘„Neej,” jammert hij. „Andjere kant. Gjote bjoodschjap”’) Wat volgt is vies, pijnlijk en ontroerend, maar óók een verhaal dat al door veel mensen in diverse toonaarden is verteld, inclusief het moment waarop de zoon denkt: ‘Ga dood. Ga verdomme toch eindelijk eens een keer dood.’

Pas in het laatste deel leidt Godijn ons weg van het realisme. Hij laat een zekere Lückwell opduiken in de praktijk van Van Putten, die zegt een zeer bijzonder apparaat te hebben – de machine waaraan de roman zijn titel ontleent. Zonder al te veel te verklappen: het ding werkt, waarna een reeks merkwaardige verwikkelingen volgt die tot een in verschillende opzichten heftige ontknoping leiden.

Als altijd bij Godijn speelt de overwinning van de geest op het lichaam daarbij een grote rol – een thema dat moeilijk los kan worden gezien van de lichamelijke problemen waar Godijn zelf al lang mee worstelt: achterin het boek worden verschillende mensen bedankt die hem hielpen met het typwerk aan de roman. Het zal bepaald geen straf zijn om de uitgesproken beweeglijke, reflexieve zinnen van Godijn uit te typen: ‘Ik geloof eigenlijk niet dat we erg hard liepen. Zo af en toe ging een van ons over tot iets wat zich zou kunnen ontwikkelen tot een krijgshaftig sukkeldrafje, maar hield telkens op voor het zover was.’

Hoe mooi gezegd ook, bij Godijn weet je altijd hoe iedereen loopt, het bijna-drafje toont ook de zwakte van De liefdesmachine. De roman slaagt er ondanks de vaart van Godijns stijl maar niet in om echt op gang te komen. Het boek overtuigt inhoudelijk minder dan Mijn ontmoeting met God en andere avonturen (2010) en Hoe ik een beroemde Nederlander werd (2013). Die romans werden voortgestuwd door (religieuze en politieke) subplots die maakten dat het geheel sterker was dan de som der vreemde delen. Zoiets ontbreekt in De liefdesmachine, een roman die voortreffelijk geschreven is, maar die te huiselijk blijft om zich te kunnen meten met Godijns beste werk.