Restaurant met kappertjes

Tosca Niterink en haar dans- en wandelpartner Anita Janssen wandelen in Patagonië. Lees elke week hier hun reisverslag.

We hobbelen een eindeloze, ellendige rotnacht lang met de half-zit- slaap-waakbus van Villa Rica naar Santiago de Chile. Het is bloedheet want de airco doet het niet en het raam kan niet open.

Vorige keer deed de airco het juist wel en hebben we de hele nacht zitten klappertanden. Ons foppen ze niet, dachten we voordat we overdreven goed ingepakt de bus instapten. Vandaar dat we nu met dikke jassen aan en verstrikt in onze slaapzakken klemzitten in onze te nauwe stoelen. Onze kelen zijn gortdroog want een fles water hadden we vorige keer ook voor niks meegesjouwd. Dorst!

„Het is allemaal jouw schuld!”, roep ik tegen Annie, „jij vond het niet nodig water mee te nemen.” Ze zegt niks, ze slaapt. En ligt met haar mond open tegen de leuning te kwijlen.

Er hobbelt een plastic fles met een bodempje sinas erin over het gangpad.

„Sinas”, roep ik. „Steek je been es uit Annie.”

„Nee”, gorgelt ze met plakkerige mond, „heb ik al aan geroken, ’t is zeik, de wc is kapot.”

Ze kwijlt weer verder. Wat een nachtmerrie, deze super-de-luxe bustocht naar Santiago in slechts 18 uur. Of zolang lijkt het toch. Het ergste van alles is dat de semi-zit-slaapstoelen net niet ver genoeg naar achter kunnen om degene die met zijn knieën tegen mijn rugleuning zit te schoppen dood te drukken.

„Walgelijk ben je”, sist Annie, „en doodeng want je meent het nog ook.”

Nu word ik nog bang voor mezelf.

Gelukkig hebben we in Santiago een afspraak met onze psychiater.

Weet je nog, we hebben een paar weken terug ene Paulina ontmoet. Macraméwonderkind. „Ik begon er helemaal uit mezelf mee toen ik vier was, zonder dwang van een henna-haarmoeder met hangplanten voor de ramen”, vertelde ze trots. In haar vrije uurtjes is ze psychiater.

Gelukkig mogen we bij haar logeren en kan ik met eigen ogen zien dat ze ’s morgens vroeg al begint met armbandjes knopen, totdat ze uitgeput in bed valt. Tussendoor werkt ze aan de universiteit en leert jonge dokters hoe ze in witte jas langs de bedden moeten lopen.

Paulina woont in de wijk Yungay, een soort Jordaan. Een hippe achterbuurt. Haar overburen zijn nog authentiek en wonen met zijn tienen en twee honden op 50 vierkante meter en de kapper is ook heel authentiek. Het is geen jonge modebarbier, maar een oude vent met twee gehoorapparaten tussen authentieke wasbakken.

Helaas heeft het hipheidsvirus ook bij hem in de zaak genadeloos toegeslagen. De kapperszaak is nu eveneens de entree van een hip restaurant. Je moet glimlachend door zijn stulpje heenlopen alvorens een sterrenmaaltijd te kunnen eten.

Paulina ziet dat het me een beetje depressief maakt. Thuisgekomen krijg ik meteen een spoedcursus macrameeën.