Column

Moord op de recensent

Op zolder liggen archiefmappen met recensies, interviews, beschouwingen die ik in mijn studietijd uitknipte. Het zijn onpersoonlijke persoonlijke documenten. Alles over de opkomst van de zelfbenoemde literaire voorhoede De Maximalen. Een analyse in Vrij Nederland van de romancyclus De Tandeloze Tijd, door recensent Carel Peeters. Vier lezingen van Gerard Reve over schrijven. Ik zie het vliegeniersjack van Connie Palmen. Fay Weldon met haar pleidooi voor een multiraciale cultuur.

Ze waren belangrijk voor mij, die knipsels. Ik maakte aantekeningen in de kantlijn: ‘Verveling!’, bij een recensie van Arnold Heumakers over een roman van Robert Vernooy. Ik leerde erdoor lezen.

In De Wereld Draait Door herken ik die gretigheid om te leren – over muziek, over wetenschap, over literatuur. In de Volkskrant stond zaterdag een stuk over de invloed van de Boekenclub van DWDD op de boekverkoop. ,,Door het hele land zitten boekhandelaren en uitgevers met een laptop op schoot naar de rubriek te kijken.”

Journalist Frénk van der Linden, bedenker van het format, zei in het artikel dat hij had voorgesteld boekhandelaren in het panel te zetten. En vooral geen recensenten, bij wie „de azijnfles nokkie-vol” zit. Hij vond hen „een parasitaire mensensoort” – toe maar.

De Baarnse boekhandelaar Gerda Aukes, ooit panellid, zei in hetzelfde stuk: ,,Het is een misverstand dat mensen op de mening van een criticus zitten te wachten. Het is zonde van de tijd en ruimte dat kranten nog steeds negatieve recensies publiceren. Mensen willen horen wat ze moeten kopen.”

Hier werd de enthousiaste verkooppraat van handelaren ineens verabsoluteerd tot cultuurkritiek.

Is de recensent een overbodige existentie? Ik blader door mijn knipsels en zie de stukken, positief en negatief, die mij enthousiast maakten voor boeken. Marja Pruis van De Groene Amsterdammer, een van de meest integere critici van dit moment, schrijft in Kus me, straf me: „Een goede, relevante literaire kritiek dient twee bazen: de literatuurgeschiedenis die permanent geschreven wordt, en de hedendaagse lezer.” En de schrijver, denk ik, die van kritiek scherper wordt.

Ik ga langs bij Carel Peeters, die sinds 1973 en nog steeds, ondanks afnemende oplages, voor Vrij Nederland recenseert. In zijn tuinkamer en kantoor zweeft permanent papierstof rond de opgestapelde boeken. Hij heeft net zijn bespreking voltooid van Dijk van H.M. van den Brink voor het literaire tijdschrift Tirade. „Negatief”, zegt hij. Hij geeft me de vijf bladzijden, waarin hij ingaat op eerdere romans van de schrijver voor hij zijn oordeel over de nieuwste velt.

De Boekenclub had er minder woorden voor nodig: ,,Een boek waarbij je meteen al het gevoel hebt: dat is een klassieker.”