Mooi wolkje, kom het vooral zien

In Dordrecht én tien andere steden tonen musea straks hoogtepunten van stedelijke collecties. Met een boodschap.

Uit Dordrecht: Te Noorden bij Nieuwkoop (1901) van J.H. Weissenbruch

Het mooiste wolkje uit de negentiende-eeuwse schilderkunst wordt het wel genoemd, roomwit en donzig drijft het langs een zachtblauwe lucht. Eronder: een sluis, een boom, water dat baadt in het zonlicht, zeilen van bootjes die al net zo oplichten. Zo schilderde Jan Hendrik Weissenbruch (1824-1903) de plassen bij Nieuwkoop.

En het zou zomaar kunnen dat het klopt wat staat in de catalogus die hoort bij de tentoonstelling Uit liefde voor de stad: „Wie als kind buiten de grote steden opgroeit en nog niet weet van het Museumplein en door zijn ouders niet wordt meegenomen naar het Louvre, kan in een stedelijk museum voor het eerst door een kunstwerk worden geraakt. Hij kan er Weissenbruchs Te Noorden bij Nieuwkoop zien, en dan beseffen hoe mooi het Hollandse landschap is.”

Maar niet alleen schilderijen, ook spullen kunnen intrigeren en iets wakker maken: nieuwsgierigheid, betrokkenheid. Vanaf zondag zijn in het Dordrechts Museum behalve schilderijen daarom bijvoorbeeld ook te zien: ‘Drinkhoorn van het Dordtse Vleeshouwersgilde’ (1688), ‘Koekplank voor speculaas met voorstelling van een luchtballon’ (1903) uit De Lakenhal in Leiden, ‘Zes ontwerpen voor de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek’ (1903-1914).

Schatten uit Deventer, Leiden, Dordrecht is de ondertitel van de tentoonstelling – en precies om die schatten is het deze tentoonstelling te doen. Veel stedelijke musea zijn in de negentiende eeuw ontstaan doordat particulieren hun verzamelingen schonken aan een lokale overheid, die ze eerst hadden overtuigd om een museum te beginnen. Er kwam kunst in die musea terecht, maar ook erfgoed: spullen. Vaak vormen ze samen de geschiedenis van stad of streek.

En daarmee komen we bij de boodschap van de tentoonstelling, waarvoor tegelijkertijd tien andere stedelijke musea topstukken exposeren uit hún collectie. De boodschap: het bescheiden verhaal dat al die collecties vertellen, is steeds moeilijker voor het voetlicht te brengen.

Samensteller van Uit liefde voor de stad, een initiatief van de Vereniging Rembrandt, is de Utrechtse hoogleraar kunstgeschiedenis Peter Hecht. Hij zegt: „Tentoonstellingen en evenementen, dat is allemaal heel aardig, maar musea gaan over continuïteit. En wat de stad of de staat van zijn musea moet willen is niet het grootste aantal bezoekers en de grootste herrie in de media, maar een gewetensvol beheer en een intelligente presentatie van wat er door de eeuwen heen is verzameld.”

Los van die boodschap: het Dordrechts Museum toont straks werken als de Vier Evangelisten van Hendrik ter Brugghen die de stad Deventer in 1707 kreeg aangeboden, een van de vijf zintuigenpaneeltjes van Rembrandt (Brillenverkoper, gewoonlijk te zien in De Lakenhal) en er hangen twee stadsgezichten van Jan van Goyen naast elkaar die anders gescheiden zijn: Gezicht op Leiden uit het noordoosten (1650) en Gezicht op de Oude Maas bij Dordrecht (1651).