Italianen zijn fysiek, Polen sterk

De Europeanen van de toekomst zitten nu in de klas. Wie vooruit wil kijken, moet dus naar The Wall, de muur die vanaf het Scheepvaartmuseum rond het Marineterrein loopt. Daar hangt momenteel werk van fotograaf Raimond Wouda (51), die met zijn camera langs Europese scholen trok.

Voor de vluchtige kijker lijken de beelden op elkaar: hangende leerlingen, sportende leerlingen, werkende leerlingen in de klas. Maar wie beter kijkt, ziet verschillen. Het ziet er overal toch net iets anders uit.

In Polen doen ze aan bodybuilden. Jongens hebben dikke nekken, ze zijn sterk. Docenten mogen zelf hun lokaal inrichten. Op een van de foto's is een klas te zien vol oude televisies, op een andere staat een evolutionaire stamboom op de muur – ondanks het levendige katholicisme.

In Italië zijn kinderen fysiek. Zelfs jongens lopen daar hand in hand. Op een foto zie je twee jongens stoeiend in de gymzaal: armen over elkaar heen, ruggen tegen elkaar. Zou je in Nederland nooit zien, denkt Wouda. De schoolgebouwen zijn er oud en slecht onderhouden, het onderwijs „heel slecht”. „Zelfs de docent Engels wilde geen Engels met ons praten.”

Wouda is nieuwsgierig naar de samenhang tussen architectuur en gedrag. In Polen zijn geen kantines, leerlingen zitten in kleine groepjes op de gang of in de klas. Hij zag er geen apenrotsgedrag, zoals in Nederland en België. „Daar zijn grote ruimtes waar heel veel mannen samenkomen.”

Nederland was sowieso het enige land waar hij tijdens het fotograferen weleens een sinaasappel of een krentenbol naar zijn hoofd kreeg. „Er is hier geen respect voor autoriteit.”

Wouda begon ruim tien jaar geleden met zijn project, eerst alleen op Nederlandse scholen. Na exposities in het buitenland breidde hij zijn werkveld uit: Polen, Italië, België; straks nog Zweden en Groot-Brittannië (als dat land tenminste in de EU blijft).

Hij zag: elk systeem is anders. Afstemming ontbreekt. In Brussel willen Vlaamse en Waalse scholen niks met elkaar te maken hebben. „En dat moet dan symbool staan voor Europa.”

Hij fotografeerde ook veel graffititeksten rond scholen, die hij later liet vertalen. Soms prachtige poëzie, vaak agressie. In Polen zag hij veel antisemitisme. Kleine penkrabbeltjes bleken teksten over goed klinkende gaskranen en Hitler die zijn werk niet afmaakte.

Leerlingen denken erg regionaal, merkte Wouda – hij legde ze ook vragenlijsten voor. „Er is weinig ruimte om in een bredere context over jezelf te denken.” Ook de graffititeksten gingen vaak over de eigen streek.

Nee, van jongeren verwacht hij niet zo veel draagvlak voor Europa.