Amerikaanse weerwolven bijten, Europese springen op je rug

De man die bij volle maan in een weerwolf verandert is een recent Amerikaans bedenksel. In veel oudere Europese mythen is de weerwolf een enge verklede man die je zomaar kon aanvallen in het donker.

Duitse gravure van weerwolf in Duitsland, 1885, maker onbekend.

Als je in 1970 aan oudere mensen in Maasmechelen, een Belgisch dorpje bij Geleen, vroeg of ze wisten wat een weerwolf is, kreeg je anwoorden als: dat was iemand die er ’s nachts op uit ging, met een dierenvel om, of een aardappelzak, en als je dan buiten het dorp over een donker weggetje liep, kwam zo iemand uit de bosjes, sprong op je rug, bleef een tijdje op je rug zitten, en verdween daarna weer.

Als je aan diezelfde informanten vroeg ‘kent u ook een weerwolf?’, dan vertelden sommigen dat hun ouders nog wel een weerwolf gekend hadden: een man die zich wat afzijdig hield, waar je niks mee te maken wilde hebben, een enge man.

Willem de Blécourt, een antropoloog die gespecialiseerd is in de Nederlandse volkscultuur, heeft nu het eerste academische boek over weerwolven samengesteld, Werewolf Histories. In dranklokaal In de Wildeman in Amsterdam wil De Blécourt wel nippend aan een glas witbier en bedachtzaam formulerend het een en ander vertellen over weerwolven.

In het door hem samengestelde boek zijn bijdragen van elf specialisten bijeengebracht. Het gaat over weerwolfverhalen in de Oudheid, weerwolfverhalen in Noord- en West-Europa, en weerwolfprocessen in de zestiende en zeventiende eeuw, toen mannen – en een enkele vrouw – ter dood werden veroordeeld omdat ze weerwolf zouden zijn en zich aan andere volwassenen, kinderen of het vee vergrepen zouden hebben.

De krantenlezer kent de weerwolf waarschijnlijk alleen uit Amerikaanse films en tv-series. Die weerwolf heeft maar weinig te maken met de in dierenvel of aardappelzak gehulde enge man, waar in Belgisch en Nederlands Limburg in de vorige eeuw nog met smaak over verteld werd.

Volle maan

De Amerikaanse weerwolf is een recente uitvinding, zegt De Blécourt. Het is idee dat een man, nadat hij door een wolf gebeten is, één keer per maand, in een wolf verandert. Om precies te zijn bij volle maan, die er op 23 maart weer is. Dat is pas rond 1940 bedacht, en daarna in veel griezelfilms gebruikt en verder uitgewerkt. De Blécourt: „Die vollemaan en dat gebeten worden, dat komt natuurlijk uit de literatuur over vampiers, die al veel langer bestaat.” Zo bezien is de Amerikaanse weerwolf een variatie op de vampier.

De Europese weerwolfverhalen en weerwolfprocessen lijken meer op de verhalen over heksen en heksenprocessen.

De Blécourt schrijft in zijn boek gefascineerd over de verhalen die in Maasmechelen verteld werden. „Ik neem Maasmechelen als voorbeeld omdat een student uit Leuven de opdracht had gekregen om daar mensen over dit soort dingen te interviewen. Die gesprekken heeft hij uitvoerig genoteerd. De verhalen die verteld worden gaan vaak maar één generatie terug: ja, mijn vader kende een weerwolf, en ja, mijn vader heeft nog meegemaakt dat iemand op zijn rug sprong. Ze vertellen het als iets dat tot voor kort nog gebeurde.”

Bekende en minder bekende filmweerwolven:

Maar het zijn toch maar verhalen? Mensen hebben nu eenmaal behoefte aan enge verhalen. De Blécourt: „Mensen hebben óók de behoefte om enge dingen te dóén. In Maasmechelen zijn de mensen die geïnterviewd werden een beetje terughoudend geweest in wat ze erover vertelden, vermoed ik. Het waren ook niet meer dan korte interviews.”

De Blécourt denkt dat sommige mannen zich er echt aan bezondigd hebben, aan dat ‘weerwolven’, zoals het in die dorpen genoemd werd. „Er is altijd een wisselwerking tussen dat soort verhalen en wat mensen vervolgens met elkaar uitspoken. Want het is uitvoerbaar. Een aardappelzak is al genoeg. Een dierenvel is nog beter. Voor spook werd ook gespeeld, dat weten we. Voor de grap, om mensen bang maken, om aandacht te trekken. Maar ook met kwaadaardige bedoelingen. Ik heb in de digitale archieven van de Koninklijke Bibliotheek een hele hoop krantenberichten gevonden over mensen die voor spook speelden. Bijvoorbeeld, een krantenbericht over een jongetje dat last heeft van enge geluiden. Er wordt in zijn huis van alles heen en weer gesmeten. Dan gaan ze dat onderzoeken en blijkt het jongetje dat zelf te doen.”

Volksverhalen over weerwolven lijken vaak te verwijzen naar seks en misbruik

Als zo’n ‘vorm’ – een spook, een weerwolf – er eenmaal is, wordt daar op allerlei manieren gebruik van gemaakt. Wat niet wil zeggen dat dat de hoofdbetekenis van die vorm is.” De weerwolf is een angstfantasie en zou dus tegelijkertijd iets kunnen zijn dat mensen hebben uitgevoerd.

Goed, iemand verkleedt zich als weerwolf en valt andere mensen lastig. Waarom doet hij dat? „Gedeeltelijk was het een spel, denk ik. Gedeeltelijk heb ik het vermoeden dat er seksualiteit in zit. Mannen die niet anders aan hun trekken konden komen. Dat is mijn hypothese. Als ik op die manier naar weerwolfverhalen ga kijken, dan zie ik daarin heel veel verwijzingen naar seksualiteit.”

Bijvoorbeeld? „Een jongen en zijn vriendin zijn onderweg. De jongen zegt: ik moet even een plasje doen, als er zo meteen iets op je afkomt, bescherm jezelf dan met je schort. Jongen gaat weg, weerwolf komt uit de bosjes, valt het meisje aan, meisje beschermt zichzelf met haar schort, weerwolf druipt af, jongen komt terug.” De Blécourt lacht: „Het moet ooit spannend geweest zijn.”

Het verhaal gaat verder: „Een tijdje later ziet het meisje bij de jongen draadjes van haar schort tussen zijn tanden. Nou, ik denk dat dat een verhaal over aanranden is. Ik kan dat moeilijk anders zien.”

Is het verhaal niet gewoon bedoeld als waarschuwing? „ja, het past zeker ook binnen een groter verhalenpatroon: meisje ontdekt dat er iets mis is met jongen. Of omgekeerd. Een jongen ziet een hommel uit de mond van het meisje komen. Dan lag het niet voor de hand om met dat meisje te trouwen. In de negentiende eeuw mocht je nog zeggen dat het meisje een heks was. Al die verhalen gaan over de vraag: weet je wel wie de ander is? Doet de ander geen gekke dingen?” Gniffelend: „Maar misschien zijn die gekke dingen juist wel leuk!”

Weerwolfprocessen

Nog een weerwolfachtig verhaal: „Twee knechten doen een middagdutje. Een van de twee doet zijn ogen open en ziet dat de ander iets met een veulen gaat doen in een nabijgelegen wei. Er wordt gezegd: opeten. Die ander komt terug. Vervolgens worden ze allebei zogenaamd tegelijk wakker. Zegt die ene knecht: ik heb wel gezien wat jij deed. Zegt die ander: hou je mond, anders vreet ik jou ook op. Vervang opvreten door seksueel misbruik en het verhaal wordt heel begrijpelijk.”

Een heel ander onderwerp in het boek van De Blécourt zijn de weerwolf-processen en -terechtstellingen, die vooral in de zestiende en zeventiende eeuw hebben plaatsgevonden, in Zwitserland, Duitsland, Frankrijk en ook in België en Nederland.

In deze processen is een ‘weerwolf’ iemand die zich door middel van magie in een wolf kon veranderen, of dácht dat hij in een wolf was veranderd, om zich vervolgens aan excessen te buiten te gaan: het vee rauw opeten, volwassenen en kinderen vermoorden, kannibalisme, incest, seks met dieren, homoseksualiteit.

Die bizarre weerwolf-processen hebben zich niet op grote schaal voorgedaan. In de populaire literatuur over weerwolven circuleren hoge cijfers („dertigduizend processen”). De Blécourt komt in zijn boek met een nieuwe schatting: twee- tot driehonderd. „Dat is niet veel, als je bedenkt dat er twintig- tot dertigduizend heksenprocessen gevoerd zijn.”

Iemand van weerwolverij beschuldigen was een soort modeverschijnsel, dat tijdelijk, op verschillende momenten en in verschillende regio’s van West-Europa, de kop op stak. Vaak werden die processen gevoerd met een politieke bijbedoeling. „We weten dat de weerwolfprocessen in de Eifel van boven af geïnitieerd werden. Dus het idee dat er weerwolven bestonden werd aan de bevolking opgelegd, in plaats van dat het daaruit voortkwam. Als je iemand in je kerker hebt zitten en je vraagt maar lang genoeg ‘ben jij een weerwolf?’ dan wil hij op gegeven moment wel ja zeggen. Als je maar genoeg dwang uitoefent.”

Een Nederlands voorbeeld daarvan is een proces in de Peel, eind zestiende eeuw, tegen een aantal heksen en ook één weerwolf. „De plaatselijke potentaat kon zijn rechtsmacht bevestigen door een proces te voeren tegen een toveres of tegen een weerwolf. Daarbij werd gebruik gemaakt van tortuur, terwijl veel rechtbanken elders dat niet toelieten. Die plaatselijke potentaat dacht: daar trek ik me niks van aan, dit is een manier waarop ik aan de buitenwereld kan laten zien dat ik mensen mag berechten. Overigens kan het best zo zijn dat hij er tegelijkertijd heilig van overtuigd was dat er weerwolven en heksen bestonden.”

Een ander weerwolfproces in Nederland betrof een familie in Amersfoort. „Dat proces diende bij het Hof van Utrecht. Daar was men bekend met weerwolven, ze kenden die processen in het buitenland. Kinderen hebben toen bekend dat ze beesten hebben doodgebeten. Ik geloof dat die kinderen niet gevonnist zijn, want ze waren te jong. Maar de ouders wel. Nou ja, wat moet je hierover zeggen. Kinderen zijn erg goed in het navertellen van verhalen. Ze hebben ergens iets gehoord en vervolgens vertellen ze de meest erge verhalen. Nederlandse rechtbanken hebben daar over het algemeen geen waarde aan gehecht. Die Utrechters waren een uitzondering.”

Betoverd

Als je mensen martelt kunnen ze de gekste dingen zeggen. „En ook als je ze niet martelt kunnen ze nog de gekste dingen vertellen. Dat wordt vaak vergeten. Psychiatrische gevallen zaten er ongetwijfeld ook tussen.”

Was er soms misschien sprake van psychotisch gedrag? De Blécourt heeft eerder veel onderzoek gedaan naar heksenprocessen. Hij heeft toen veel oude rechtbankverslagen gelezen. „Als je goed bekijkt wat zo’n vrouw vertelt, dan is dat niet veel meer dan wat ze in haar omgeving gehoord kan hebben. Het zijn geen uitspraken die in het wilde weg gedaan worden. Ze vertelt bijvoorbeeld dat ze betoverd geweest is. Dat idee maakt gewoon deel uit van de dagelijkse cultuur daar. Als geleerden daar een paar honderd jaar later naar kijken, heb je kans dat ze die context niet meer herkennen en zeggen: dat is psychotisch gedrag.”

    • Berthold van Maris