Heineken zwijgt liever over zijn Afrikaanse praktijken

Journalist Olivier van Beemen is geraakt door Afrika en geboeid door Heineken en zijn bedrijfscultuur. En hij is niet lui. In het voetspoor van de bierbrouwer reisde hij over het continent en ging op onderzoek naar het succes en de mores van Heineken in een tiental, sterk uiteenlopende landen. In Nigeria valt het bier niet aan te slepen voor een bevolking die in hoog tempo naar de tweehonderd miljoen groeit. In Algerije blijkt een streng islamitische samenleving geen belemmering te zijn voor uitstekende verkoopcijfers. En in het verscheurde Congo lijkt het alsof de inwoners slechts één gemene deler hebben: hun liefde voor Primus, het lokale bier van Heineken.

Zijn indrukken en gesprekken met lokale betrokkenen, gelardeerd met historisch bronnenmateriaal, heeft Van Beemen verwerkt Heineken in Afrika. Het concern wilde niet meewerken; veel (lokale) gesprekspartners wilden niet met naam worden geciteerd, als ze al wilden praten.

Afrika is al heel lang een belangrijk continent voor Heineken. Ruim een eeuw geleden werden ladingen bier naar verre koloniën gebracht. Tegenwoordig is Heineken (grotendeels) eigenaar van een kleine vijftig brouwerijen in vijftien Afrikaanse landen. Andere Afrikaanse markten worden van exportbier voorzien.

Heineken ligt goed bij de elite in Nederland. Op bezoek in Ethiopië prees koningin Máxima het bedrijf in 2013 omdat het langlopende contracten afsluit met coöperaties van keuterboeren voor de levering van gerst. In de Algemene Vergadering van de VN noemde premier Rutte Heineken vorig jaar een navolgingswaardig voorbeeld van private inzet bij het bereiken van duurzame ontwikkelingsdoelen.

Van Beemen is juist op zoek naar de andere, niet zo vaak belichte kant van de multinational. Hij stipt bijvoorbeeld de rol aan van de Belgische dochteronderneming Ibecor bij het afromen van de winsten in Afrika ten gunste van moederconcern. Bij Ibecor moeten de Afrikaanse brouwerijen verplicht grondstoffen kopen die ze elders goedkoper kunnen krijgen.

Maar het belangrijkste thema in dit boek is de verankering van Heineken in de Afrikaanse samenlevingen en de betrekkingen die het concern onderhoudt met diverse corrupte elites. Waar de overheidsstructuren zwak zijn, komt het geweten al gauw in de knel, is het beeld dat oprijst.

In Tunesië ging Heineken in zee met de clan van Leïla Trabelsi, de gehate echtgenote van de in 2011 verdreven dictator Ben Ali. In Congo geldt de regel: zonder smeergeld geen zaken. Als president Joseph Kabila neerstrijkt in Boma, logeert hij in een villa van Bralima, een dochterbedrijf van Heineken. Ook met de huidige president van Burundi, de omstreden Pierre Nkurunziza, heeft Heineken een verstandshuwelijk gesloten. Dochterbedrijf Brarudi, een joint venture met de regering, is verreweg het belangrijkste bedrijf van het land. Als de bodem van ’s lands schatkist in zicht komt, klopt de belastingdienst aan bij Brarudi om een ‘belastingvoorschot’ op te eisen. In ruil daarvoor wordt het bedrijf verder met rust gelaten.

Lang niet alles wat Van Beemen schrijft over Heineken is dus positief – om het voorzichtig uit te drukken. Toch zegt Van Beemen dat zijn boek niet is gericht tegen het concern. ‘Het is geen j’accuse, maar een journalistieke casestudy over het functioneren van een multinational in Afrika’. En dat is precies wat het boek is. Heineken in Afrika is geen meeslepend portret dat je in een adem uitleest. Maar Van Beemen heeft wel een gedegen reisverslag afgeleverd, waarin praktijken worden belicht waarover Heineken zelf niet snel uitweidt.