Engelser dan de Engelsen

Zijn Britse grootouders kwamen uit Duits-joodse immigrantengezinnen. Ze verhulden hun afkomst en deden hun best te assimileren, maar hoorden er nooit echt bij.

Uitgevers laten ze graag verschijnen: boeken waarin een gevestigde auteur op zoek gaat naar de dramatische oorlogsgeschiedenis van zijn of haar (over)grootouders, liefst aan de hand van een teruggevonden pak brieven uit een oude hutkoffer. Ze bieden een groot lezerspubliek de kans om zich te laten meeslepen in een ontroerend persoonlijk verhaal én om aan de hand van specifieke voorbeelden na te denken over grotere vraagstukken.

Toch zijn er ook risico’s aan dit soort boeken verbonden. Omdat familiegeschiedenissen – in tegenstelling tot de meeste biografieën – doorgaans handelen over onbekende personen, kunnen ze verzanden in een ongebreidelde stroom anekdotes die weinig interessant zijn voor lezers buiten de eigen familiekring. Het helpt als de auteur een duidelijk kader hanteert aan de hand waarvan hij het beschikbare materiaal selecteert en ordent. Alleen dan kan een geschiedenis over ‘gewone’ mensen écht iets zeggen over een groter thema.

De gelauwerde Nederlands-Britse publicist Ian Buruma heeft dit als geen ander begrepen. Hij had de beschikking over een dik pakket brieven van zijn grootouders van moeders kant, Bernard en Winifred (‘Win’) Schlesinger, die beiden aan het eind van de negentiende eeuw waren geboren als kinderen van naar Londen geëmigreerde Duitse joden. Ze waren net volwassen toen de Eerste Wereldoorlog begon, ten tijde van de Tweede hadden ze een gezin. Omdat Bernard in beide oorlogen als arts van het Britse leger naar het front ging, waren ze lange perioden gescheiden van elkaar – alleen met brieven konden ze elkaar op de hoogte houden. In Hun beloofde land zoekt Ian Buruma uit wat deze brieven zeggen over de manier waarop zijn grootouders zichzelf zagen in verhouding tot de wereld waarin ze leefden.

Als tweede generatie-immigranten wilden Bernard en Win niets liever dan volwaardig onderdeel zijn van de Britse maatschappij: ze adoreerden het Britse platteland en gezinsleven, voelden voortdurend de behoefte om hun loyaliteit aan Groot-Brittannië te bewijzen en Winston Churchill was hun grote held. Een studievriend van Buruma bekende eens dat diens grootouders ‘de meest Engelse mensen waren die hij ooit had ontmoet’. Maar Buruma laat mooi zien hoe zijn grootouders eigenlijk Engelser dan Engels waren. Ze deden zo hun best om te assimileren, dat ze er nooit helemáál bij hoorden.

Binnen de familie bestond er al lange tijd, in elk geval voor het begin van de Tweede Wereldoorlog, een codewoord voor joods-zijn: ‘vijfenveertig’. Er werd dus omfloerst over gesproken, en dat weerspiegelt goed hoe Bernard en Win met hun joodse afkomst omgingen. Ze wilden er absoluut geen nadruk op leggen en deden hun best om niet te veel met andere joden geassocieerd te worden. Toen Bernard aan zijn militaire artsenopleiding begon, schreef hij dat het gevaar bestond ‘dat ik een knaap die Cohen heet – en nogal Cohennig is – als huisgenoot krijg.’ En tijdens Wins beginperiode op de universiteit ging ze op zondagochtend naar de kerk – dan viel ze tenminste niet op. De angst om afgewezen te worden verdween nooit helemaal.

Soms werden Buruma’s grootouders inderdaad afgewezen vanwege hun afkomst, want in het Engeland van de eerste helft van de 20ste eeuw was antisemitisme allerminst afwezig. Bij de meeste ziekenhuizen waar Bernard solliciteerde, hoefde hij vanwege ‘vijfenveertig’ niet eens op gesprek te komen. En tijdens WO II mocht Win tot haar verontwaardiging niet als vrijwilligster werken voor het Rode Kruis. Haar vader was ‘pas’ 53 jaar daarvoor Brits onderdaan geworden, merkte ze fijntjes op.

Brug te ver

Moesten Bernard en Win dan maar hun Duits-joodse achternaam opgeven? Ze dachten er regelmatig over na, maar dat was toch een brug te ver. Want volgens Buruma bleven onder de oppervlakte de culturele kenmerken van hun afkomst bestaan: hun liefde voor klassieke muziek – die als een soort soundtrack hun brieven kleurde –, hun bijna obsessieve familieliefde, de angst om in verlegenheid te worden gebracht. Bovendien betoonden ze hun solidariteit op het moment dat het erop aankwam: in 1938, vlak voor de Kristallnacht, stichtten ze persoonlijk een tehuis voor twaalf Duits-joodse kinderen. Allemaal overleefden zij de oorlog.

Aan de hand van veel voorbeelden toont Buruma hoe complex de relatie van zijn grootouders was tot hun ‘beloofde land’ Engeland en tot de cultuur waaruit ze voortkwamen. Alleen al daarom schreef hij een belangrijk boek, want het gaat om identiteitsvragen waar de meeste tweede generatie-nieuwkomers ook vandaag mee worstelen. Niet alleen de themakeuze pakt goed uit, ook als familiegeschiedenis is het boek geslaagd. Of beter: als liefdesgeschiedenis. Want behalve van Engeland hielden Bernard en Win onvoorwaardelijk van elkaar – niet in het minst tijdens de moeilijke oorlogsperioden. En op zijn beurt laat Buruma op elke pagina doorklinken hoezeer hij van zijn grootouders houdt. Hun beloofde land zet daarmee niet alleen aan tot denken over thema’s als assimilatie en antisemitisme, het vertelt ook een ontroerend verhaal over een driedubbele liefde.