Column

Beweeglijk leiderschap leer je van Poetin

Vriend en vijand moesten erkennen dat Poetin deze week een verrassende zet deed. Zijn aankondiging de Russische troepen uit Syrië terug te trekken kwam onverwacht – precies zoals zijn militaire inmenging in Syrië een half jaar geleden begon. Opnieuw is hij iedereen een stap voor, aldus de NYT, die dat liever over Obama zou schrijven. Door druk te zetten op zijn bondgenoot Assad toont de Russische president zijn goede wil jegens Amerika en Europa en blaast hij de Syrische vredesbesprekingen in Genève nieuw leven in. Voor het bedwingen van de vluchtelingencrisis is dit besluit zeker zo betekenisvol als de voorliggende deal tussen de EU en Turkije. Waar Merkel, Rutte, Tusk en Davutoglu in Brussel het dweilen bespreken, gaat het in Genève om de kraan – komt er ooit een einde aan die oorlog? Poetin boekte winst: hij hield Assad in het zadel, voorkwam een machtsvacuüm en is ook op tijd weer weg. Tegelijk houdt hij zijn opties open en is weer onmisbaar politiek speler. Toen de Amerikaanse buitenlandminister Kerry dagelijks met zijn Russische collega Lavrov begon te bellen concludeerde Moskou dat het internationaal isolement waarin het land sinds de Kriminvasie verkeert, voorbij was, aldus een Russische militair expert in El País.

Maar wat wil Poetin nu écht? Wat is zijn eindspel? Als deze laatste zet zo goed verklaarbaar is, wat wordt dan zijn volgende? De westerse pers tast in het duister. Poetins bedoelingen blijven „onduidelijk” (La Repubblica), er zijn „vele hypothesen” (Financial Times), de man blijft meer een opportunistische „tacticus” dan visionaire „strateeg” (een belerende FAZ). Keer op keer onderschatten waarnemers Poetins beweeglijkheid. Misschien moeten we anders kijken. Misschien hééft de man geen masterplan. Niet omdat hij dat niet zou kunnen bedenken, maar omdat hij het verspilde moeite vindt: het loopt toch weer anders. Hartje Koude Oorlog, toen er bij het begrijpen van de Russische bedoelingen veel op het spel stond, observeerde Amerika’s beste diplomaat ooit in Moskou, George F. Kennan, hetzelfde verschijnsel. In een memo uit 1952 schreef Kennan zijn bazen in Washington dat de Russische beweeglijkheid meer is dan grilligheid, maar voortkomt uit een kijk op geschiedenis en politiek. Lees, met Poetin in het achterhoofd, deze ene Kennan-zin: „Ik geloof dat zij [de Russen] zich veel bewuster zijn dan wij van het spel van actie en reactie in de buitenlandse politiek, van de manier waarop gebeurtenissen in elkaar grijpen en elkaar spiegelen, van het aantal variabelen dat meebepaalt hoe een bepaalde situatie zich over jaren ontwikkelt; en dat zij zichzelf daarom niet verplicht voelen een ferm of definitief oordeel in het heden te vellen.”

Deze manier van politiek bedrijven vergt sterk centraal leiderschap, zonder permanente verantwoordingsplicht. In een democratie is improviseren lastiger. Elke zet moet worden beargumenteerd, tegenkrachten moeten worden overwonnen – deels met woorden, deels met trekken en duwen achter de schermen –, het publiek overtuigd. Dat alles kost tijd; bovendien gaan gebruikte argumenten een eigen leven leiden, ze zetten zich vast. Als je drie maanden later iets anders wilt doen – nieuwe situatie, nieuw plan –, spreek je al snel je oude ik tegen, ben je een draaikont. Wij hebben moeite met het rauwe toeval dat de werkelijkheid opdient en vragen als publiek om verhalen die het toeval temmen, gegoten in morele categorieën die onze politici ook zelf moeten geloven. Poetin heeft daar minder last van: in de Russische omgang met het toeval hoeft hij geen oprechtheid te veinzen, met vrijwel niemand rekening te houden, en alleen zijn directe landsbelang in het moment te volgen.