Ben je fan van Augustinus, van je vader of van mij?

Filosoof Alicja Gescinska (1981) heeft met haar romandebuut Een soort van liefde eerder een ode aan vaderlijke wijsheid dan een boek over de liefde geschreven. Bij twee jonge vrouwen, Anna en Elisabeth, mondt een aanvankelijke poging zich te ontworstelen aan de vaderfiguur uit in een verzoening.

De Amerikaanse Elisabeth moet besluiten wat ze zal doen met de spullen van haar zojuist overleden vader Ray Vernon, hoogleraar Duitse geschiedenis. Er zit veel oud zeer: twintig jaar eerder verliet Vernon plotseling zijn gezin om als een kluizenaar tussen zijn boeken te gaan leven. Het verhaal van de Belgische Anna maakt wél duidelijk wat er twintig jaar eerder precies gebeurd is. De studieuze jonge vrouw komt uit een christelijk gezin maar is niet meer gelovig. Tijdens een year abroad in de Verenigde Staten wil ze eindelijk losbandig gaan leven. Dat mislukt: al snel sluit ze zich aan bij een ambitieuze studiegroep die zich rond Ray Vernon heeft verzameld. Anna vertelt professor Vernon dat haar vader haar de liefde voor Augustinus heeft bijgebracht. Ze legt uit dat ze niet langer gelovig is maar nog altijd ‘fan van hem’. De hoogleraar vraagt haar ‘Ben je fan van je vader’? Nee, corrigeert ze, van Augustinus, maar de lezer begrijpt dat Freuds vadercomplex hier met een vette knipoog geïntroduceerd wordt. Geen verrassing: een affaire tussen docent en student volgt.

De filosofische ambitie van deze roman is hoog. Als literair werk echter overtuigt Een soort van liefde niet: Gescinska legt veel te veel uit. De plot is vooral een vehikel voor filosofische denkbeelden. Zo kan Anna haar liefde voor Vernon uitsluitend in knerpende gemeenplaatsen beschrijven: ‘Hij was een deel van mijn DNA geworden, hij zat onder mijn huid en zonder hem leek het alsof ik zou uitdrogen van verdriet’. Nu is het denkbaar dat deze doodernstige, onervaren vrouw dweept met een hoogleraar die veertig jaar ouder is, terwijl hij mogelijk heel wat dubbelzinniger over de affaire denkt. Dát zou een interessant conflict zijn geweest, maar daar komt Gescinska niet aan toe.

Aan het slot van de roman wordt alle ambivalentie de wereld uit geholpen. Ook in Elisabeths leven vallen de puzzelstukjes net iets te precies allemaal op zijn plaats. Daarmee wordt de vaderfiguur in ere hersteld, maar verliest de roman haar zeggingskracht.