Tussen fan en filmster

A.O. Scott, filmcriticus van The New York Times, worstelt met zijn gezag in tijdperk van sociale media. Iedereen is tegenwoordig criticus, maar niet iedere criticus is ook een kunstenaar.

Als een fameus regisseur zoals François Truffaut in de jaren zeventig New York bezocht om een van zijn nieuwe films te presenteren, stond steevast een lunch op het programma met Vincent Canby, de belangrijke filmcriticus van The New York Times. Niet zozeer omdat de regisseur Canby’s oordeel inhoudelijk zo interessant vond, maar omdat Canby nu eenmaal een buitengewoon invloedrijke positie innam, die bepalend kon zijn voor het succes of falen van een film.

Hoe gaat dat tegenwoordig? A.O. Scott, de huidige ‘chief film critic’ van The New York Times, schreef in mei 2012 een misprijzende recensie van de superheldenfilm Avengers: Age of Ultron. Filmster Samuel Jackson ontstak daarop op Twitter in grote woede en riep zijn fans op om Scott te helpen zoeken naar een nieuwe baan, „een baan waarvoor hij wél geschikt is”. De recensent kreeg horden fans van Jackson achter zich aan, want wie was hij eigenlijk dat hij zich een negatief oordeel dacht te kunnen aanmatigen over een film waaraan zoveel mensen plezier beleven?

Scott haalt het voorval aan in zijn boek met de ironische titel Better Living Through Criticism. How to Think About Art, Pleasure, Beauty and Truth. Zijn fittie met Jackson laat twee kanten zien van de dominantie van sociale media: de recensent is al lang niet meer de enige die van zich laat horen met een mening over een nieuwe film. Ook de fans komen direct aan het woord. Dat is misschien wel zo democratisch. Maar ook machtige partijen zoals filmstudio’s of een ster zoals Jackson (met meer dan 5,5 miljoen volgers op Twitter) weten sociale media behendig te bespelen. Zie ook hoe belangrijk reclame-uitingen als filmtrailers zijn geworden, die vaak al tientallen miljoenen keren zijn bekeken, nog voordat de film zelf in de bioscoop te zien is.

Kritiek als kunstvorm

Tijd voor een fiere verdediging van het edele ambacht van de filmrecensent, die deskundig, onafhankelijk en kritisch zijn werk doet, in weerwil van een industrie die mensen poogt te reduceren tot passieve consumenten. Dat is zo ongeveer de inzet van Scott in zijn boek. Maar opmerkelijker is hoe ambivalent Scott desondanks is over zijn eigen rol als criticus. Hij slingert van een uiterst bescheiden en minimalistische opvatting van zijn werk – „Ik ga naar films en schrijf op wat ik ervan vind” – naar de nogal grandioze doelstelling dat de kritiek eigenlijk zelf een vorm van kunst is. Scott is van mening dat iedereen in principe een criticus is, want iedereen formuleert doorlopend opvattingen over wat goed is en wat niet. Maar toch heeft niet iedereen de begaafdheid om een kunstenaar te zijn, zou je zeggen.

Zijn nogal schichtige, omtrekkende bewegingen, zijn weigering om zijn gezag als criticus met aplomb op te eisen, is hem op stevige kritiek komen te staan. Leon Wieseltier, werkzaam bij Atlantic Monthly, maakte gehakt van het boek. Hij zet Scott neer als „ a critic without a cause”. Wieseltier wijst naar de grote namen uit het verleden, die als critici nog stonden voor een opvatting van wat film zou moeten zijn: James Agee die de slapstick van de stille film vereerde, Manny Farber die de vitaliteit van de B-film verdedigde en Pauline Kael die in de jaren zeventig in The New Yorker de jonge filmmakers van het nieuwe Hollywood op het schild hief. Juist uitgesproken partijdigheid maakte een criticus als Kael zo geliefd (en omstreden). Een film die haar teleurstelde, vatte ze op als een persoonlijke belediging. Le cinéma, c’est moi! Dat is een vorm van autoriteit die Scott niet voor zichzelf wil opeisen.

De vraag is ook of dat nog kan. Scott behoort tot een generatie recensenten die het onderscheid tussen ‘hoge kunst’ en vermaak niet meer zo scherp trekt. Het naïeve idee dat de canon van de grote kunst die iedereen zou moeten kennen simpelweg bestaat uit „het beste wat er in het verleden is gedacht en gezegd” ligt aan gruzelementen. Sociale en politieke opvattingen – over huidskleur, nationaliteit en gender – spelen onmiskenbaar een rol bij het beantwoorden van de vraag wat belangrijke en goede kunst is.

Witte privileges

Het idee dat het kunstwerk autonoom is en alleen uit zichzelf moet worden begrepen, kreeg een opdoffer door het werk van de Franse socioloog Pierre Bourdieu. Hij liet zien hoezeer opvattingen over ‘autonome’ kunst worden bepaald door afkomst en klasse. Scott is zich van dat alles bewust en worstelt met zijn ‘witte privileges’. Als hij dat niet zou doen, zou hij er op sociale media ook snel – en hardhandig – op worden gewezen. Dat beperkt de ruimte om van eenzame hoogte een hard en daverend oordeel te geven nogal.

Tegelijkertijd tast Scott toch omzichtig naar ervaringen die al dat relativisme weten te overstijgen. Kunstwerken vallen ook niet helemaal samen met de maatschappelijke omstandigheden waarin ze zijn ontstaan. Niet alles is relatief. Hij zoekt naar ervaringen – of het nu gaat om literatuur, film of beeldende kunst – die zo intens en overrompelend zijn, dat ze de sociale en politieke omstandigheden opzijzetten. Maar dat blijft bij een soort geloofsbelijdenis; echte argumenten heeft hij niet. Scott omcirkelt zijn identiteitscrisis als criticus met lichtheid en ironie, maar een identiteitscrisis blijft het.

    • Peter de Bruijn