Pure woede en onversneden lust

Kunst raakt iedereen. Villa Farnesina. Pedro Reyes. Michelangelo. Gustav Klimt.

Foto Belvedere, Vienna

Mädchen in Uniform hebben de naam, maar mannen in uniform zijn minstens zo mooi. Het uniform strakt ze af. Flatteert ze – en dat weten ze, vandaar die onmiskenbare verlegenheid van zelfs de stoerste geüniformeerde jongens.

In Rome, waar ik een paar dagen ben, zie ik mannen in uniform in overvloed. Bij het Pantheon. Op de trappen naar de Santa Maria Maggiore. Op het piazza Navona naast Bernini’s fontein. Bij de musea. Allemaal gelden ze als mogelijk mikpunt voor een IS-aanslag. Alles van waarde mag weerloos zijn, maar terroristen zijn diep onder de indruk van kunst, en van de aantrekkingskracht ervan.

De uniformen worden bevestigd met automatische wapens. Rusteloze handen tasten naar de trekker, maar iedereen weet: niks helpt echt. Ze staan er voor de schone schijn.

Ook die twee bij Villa Farnesina. Ze glimlachen vanonder hun petten. Ik bekijk eens zo vrolijk het buitelend genot in de zalen vol zestiende-eeuwse fresco’s. Op de fresco’s zit graffiti. Uit 1528. Er werd hier gekladderd tijdens de Sacco di Roma, de Plundering van Rome. Honderden jaren geleden provoceerden deze fresco’s al tot bruut gekras.

Dat verschilt au fond niet van wat er nu gebeurt. Positief, of negatief, kunst raakt iedereen, en dat wekt agressie.

Er is geen uniform te zien bij het MAXXI, museum voor 21ste-eeuwse kunst. Mooi museum, goed bezocht. Zou het ontbreken op de terroristenradar? De moderne kunst wordt onderschat en niet alleen hier. Onlangs haalde Thierry Baudet, de man die zichzelf de belangrijkste Nederlandse intellectueel noemt, uit naar de moderne kunst. Die zou de beproefde schone kunsten tenietdoen. Alsof het ene het andere uitsluit. Is niet waar.

Gisteren genoot ik van de fresco’s, nu vergaap ik me aan Disarm (2013): het bedrieglijk elegante orkest dat de Mexicaan Pedro Reyes schiep uit ontmantelde vuurwapens. Dit is een grimmig statement. Het is ook een vrolijke installatie die de spot drijft met terroristen en andere criminelen.

Nog even naar de San Pietro in Vincoli, naar Mozes, Michelangelo’s mooiste beeld. Een evident doelwit, het krioelt er van de uniformen. Dit beeld is een en al woede. Razend staart Mozes weg van de menigte en dat belachelijke Gouden Kalf van ze.

Kwaaier knieën dan de zijne zou Michelangelo nooit meer voor elkaar krijgen. De stenen tafelen waar het allemaal om begon? Bijzaak. Je vindt ze als je erop let, onder Mozes’ rechterarm.

Terug in Nederland haast ik me naar Den Haag, want het Gemeentemuseum heeft het schilderij Judith 1 (1901) te logeren. Meesterwerk van Gustav Klimt uit Wenen, waar ze het eigenlijk nooit uitlenen.

Ik ken het plaatje, iedereen kent het. Maar dat plaatje haalt het op geen enkele manier bij het schilderij dat het Gemeentemuseum in de schemer laat opdoemen.

Judith vertelt geen verhaaltje, het verbeeldt gevoel. Het hypnotiseert via wat schilderkunst (blijkbaar! kijk maar!) vermag. Het intimideert met pure lust. Klimt laat opwinding sidderen in de geloken ogen, langs de bescheiden borsten, achter het gouden collier. Het afgehakte hoofd van Holofernes, oorzaak van Judiths drift? Bijzaak. Ik vind het onder haar rechterhand. En ik vergeet het weer.