Column

Plastic tasjes

Toen ik de apotheek wilde binnengaan, stapte net een man naar buiten. Hij keek nogal verongelijkt, terwijl hij naar twee hondjes liep die hij provisorisch aan de ijzeren leuning van een geveltrapje had vastgebonden. „Je mag de honden niet mee naar binnen nemen, maar ze maken geen fatsoenlijke haak voor ze”, mopperde hij.

Een assistente uit de apotheek liep achter hem aan en gaf hem een doorzichtig plastic zakje met zijn medicijnen. Hij keek ernaar alsof hem een gevaarlijk gif werd aangereikt – wat misschien ook wel zo was. „Hebt u er niet een ander zakje voor?”, vroeg hij.

„Dat hebben we wel”, zei de assistente, „maar daar moeten we tegenwoordig 20 cent voor vragen.”

„Toe nou”, zei de man, „jullie kunnen toch niet van mij verwachten dat ik met zo’n doorzichtig zakje ga lopen? Iedereen kan zien welke medicijnen ik heb. Doe er maar een andere zak om.”

De assistente aarzelde, draaide zich om en ging de zaak binnen. Even later kwam ze terug met een volwaardig plastic tasje waarmee haar klant zijn geliefde privacy kon behouden. Ze vroeg er geen geld voor. De man bedankte kort en begon aan de bevrijding van zijn hondjes. Hij deed me denken aan de man, een vijftiger, die ik onlangs tegen een jongere man ferm hoorde zeggen: „Je moet zorgen dat je in je kracht blijft staan, anders ben je al op mijn leeftijd een ouwe lul.”

Ik bleef achter met een geschokt rechtsgevoel, waartegen helaas geen medicijn bestaat. Wat bleef er van ons milieu over als er zo gemarchandeerd werd met plastic tasjes? Wisten ze daar bij GroenLinks van? Misschien zat er een pittige Kamervraag in voor Jesse Klaver – die was jong en wilde nog wat.

Een dag later was ik in een slijterij getuige van een merkwaardig dialoogje over hetzelfde onderwerp. En vrouw die net een paar flessen wijn had gekocht, vroeg aan de winkelier of hij een dun papiertje om de flessen kon doen. „Dan klappen ze niet zo tegen elkaar in mijn rugzak.”

Het leek mij een redelijk verzoek, maar de winkelier wees het met een zweem van ergernis af. „Dat hebben we niet en daar beginnen we ook niet aan.”

„Waarom niet?”, vroeg de vrouw.

„Omdat het ook slecht is voor het milieu.”

De vrouw haalde haar schouders op. „Een paar van die papiertjes?”

„Als iedereen dat zegt, schieten we nog niets op”, snibde de winkelier. „U kunt een plastic tasje krijgen. Voor 25 cent.”

„Dan maar niet”, zei de vrouw. Ze plantte de flessen zonder bescherming in haar rugzak en ging er gepikeerd zwijgend vandoor.

Ik besefte dat zowel winkelier als klant moeilijke tijden doormaakt. De klant wil dezelfde service als vroeger – gratis tasjes – maar de winkelier mag die verwachting niet meer inlossen. „Komt het vaak voor?”, vroeg ik de slijter.

Hij knikte vermoeid. „We zitten midden in een overgangsperiode. We moeten weer terug naar vroeger, toen het nog heel normaal was dat je met een boodschappentas je boodschappen deed. De mensen zijn verwend geraakt, ze willen nog steeds voor elk boodschapje een gratis tasje.”

In Syrië zouden ze onze zorgen graag willen hebben, maar dat neemt niet weg dat ik al die teleurgestelde Nederlandse klanten bij dezen graag een hart onder de riem steek: u staat niet alleen.