Column

Paniek en ongeloof in Las Vegas

Hij schijnt te zijn ‘uitgebodemd’, de olieprijs. Op dit moment noteert een vat ruwe olie tegen de 40 dollar, na eerder dit jaar nog even onder de 30 dollar te hebben doorgebracht. En dus kunnen alle voorspellingen over een mogelijke daling naar 20 dollar per vat (zakenbank Goldman Sachs, bijvoorbeeld), weer in de prullenbak.

Dat is een wijze les. De duurbetaalde voorspellers zeggen in wezen alleen maar hardop wat de markt op dat moment doet, en overdrijven dan in de richting die de markt op gaat. Toen de olieprijs in de zomer 2008 richting 150 dollar ging, waren de prognoses over 200 dollar niet van de lucht. Nooit meer wat van gehoord. En niemand voorzag in de zomer van 2014 het kelderen van de olieprijs van 115 dollar naar het niveau van nu. Ja, achteraf.

Zo zijn alle waarzeggers en ingewandlezers van de financiële markten nu overtuigd van een blijvend lage olieprijs rond het huidige niveau. Kijk maar: de opkomst van elektrisch rijden, de verminderde rol van de Saoediërs, de Amerikaanse schalieboeren die elke prijsstijging zullen dempen door hun productie op te voeren.

Het klinkt allemaal erg logisch. Maar dat klinkt het altijd. Analisten zijn er meesters in om hun prognoses vanzelfsprekend over te doen komen. Tot de markt de andere kant op gaat, wat achteraf óók vanzelfsprekend was.

Maar stel je nu eens, gewoon als gedachteoefening, een stijgende olieprijs voor. Dat we, doe eens een gooi, aan het eind van dit jaar een prijs hebben van 80 dollar per vat? Dat is, tegen de huidige wisselkoers 72 euro. Da’s niet eens extreem hoog, maar kijk eens wat een chaos dat al zou veroorzaken.

We hebben nu in Nederland een ‘algemene’ inflatie van 0,3 procent. Zeer laag, en reden voor de Europese Centrale Bank om alles uit de kast te halen om te zorgen dat we niet wegzakken in een moeras van deflatie. Maar als je energie (en dus olie) niet meerekent, staat de ‘kern’-inflatie veel hoger: op 1,2 procent. Nog steeds laag, maar niet extreem.

Stel, we laten de olieprijs stijgen van 35 euro nu naar 72 euro in december, we houden de wisselkoers van de euro gelijk, en de kerninflatie op 1,2 procent. Dan zal de ‘algemene’ inflatie (dus inclusief energie) omhoog schieten naar boven de 3 procent in december.

Ongeloof! Paniek! Aanzwellende kritiek op de veel te soepel gebleken ECB. Haastige oproepen om de negatieve rentes terug te draaien en de steunaankopen van obligaties voortijdig te stoppen. Centrale bankiers zullen uitleggen dat we kalm moeten blijven en toch echt naar díe ‘kern’-inflatie van 1,2 procent moeten blijven kijken. Maar dat voorbehoud (terecht overigens) maken ze op dit moment óók zelden.

Kan dit scenario uitkomen? Ja, maar waarschijnlijk is het niet. En bij zo’n olieschok variëren andere variabelen, zoals de wisselkoers, natuurlijk wel degelijk. Maar je weet het nooit. Olie heeft een nogal wispelturig verleden. Een prijsstijging zoals in dit scenario, met 37 euro in negen maanden tijd, kwam in de afgelopen tien jaar al drie maal voor. Dat is het probleem van centrale bankiers: zij moeten in het casino van de financiële markten inzetten op een toekomst die per definitie onkenbaar is.