‘Mijn vader was geen opvoedkundig genie’

Jelle Brandt Corstius fietste naar de Middellandse Zee om te filosoferen en te rouwen. Hij schreef een boek over de reis en zijn vader Hugo, van wie hij leerde zich niet te veel aan te trekken van wat anderen denken.

Foto Olivier Middendorp

Een groen-zwart gestreepte sjaal had hij om; een soort gebreide rups. Op zijn hoofd een zwarte fleecemuts. Daaronder die imposante wenkbrauwen, nog net zichtbaar. Ruim zeven jaar geleden ontmoette ik hem voor het eerst. Hugo Brandt Corstius. Eigenlijk hield hij niet van interviews, had hij aan de telefoon gezegd. Maar zo’n gesprek op de fiets leek hem nog wel aardig.

Mensen hadden me voor hem gewaarschuwd. Maar tijdens het fietsen zag ik een man die passerende paarden groette, die met liefde over muggen sprak („Je kunt jezelf het beste goed laten steken, gewoon je arm uitsteken en zo’n diertje laten doorzuigen. Dan kun je daarna rustig slapen”) en met nuchterheid over het leven („Eigenlijk worden wij mensen veel te oud. Dat ik in de zeventig ben, is een wonder – dat mág helemaal niet in de natuur. Je hoort kinderen te krijgen en dan dood te gaan.”) Oprecht, nieuwsgierig, scherp.

Hugo, schrijver, wetenschapper en columnist onder pseudoniemen als Piet Grijs en Battus, en in 1987 gelauwerd met de P.C. Hooftprijs, is al twee jaar dood. Maar vandaag zit ik in zijn stamcafé, De Vrije Handel, in Ouderkerk aan de Amstel met zijn zoon: Ruslandkenner, programmamaker en schrijver Jelle Brandt Corstius (37), inmiddels minstens even bekend als zijn vader. Op de tafel naast ons liggen De Telegraaf en de Volkskrant. „Sinds Hugo hier niet meer komt koffiedrinken, leest niemand hier eigenlijk de Volkskrant nog”, zegt de barvrouw.

„Mijn vader ruïneerde hier de krant altijd”, zegt Jelle. „Zag hij een interessant artikel, dan scheurde hij het ongegeneerd uit. Ik was allang blij dat hij dat deed. Dat betekende in ieder geval dat hij was opgehouden met het jatten van de krant bij Albert Heijn.”

Het is een van de herinneringen die Jelle ophaalt in zijn boek As in tas, dat deze week verscheen. Daarin schrijft hij over de fietstocht die hij maakte naar de Middellandse Zee, een maand nadat zijn vader was overleden. „Een zee leek me wel leuk, en de Noordzee is ook weer zo dichtbij.” En dus vertrok hij naar het zuiden. Met in de 40 kilo zware bepakking een klein, purperen zakje met de as van Hugo. „Het ging me om het idee: dat mijn vader er op deze manier toch een beetje bij was. Al zou hij die symboliek zelf walgelijk hebben gevonden.”

En zo vertrok Jelle in zijn eentje. Ruim twintig jaar lang had hij jaar in jaar uit een minifietsreis met zijn vader gemaakt – meestal in Nederland, vrijwel nooit langer dan twee dagen. „Anders kregen we geheid ruzie.”

Het was lastig Hugo bij te houden – „bij een rood stoplicht fietste hij steevast door” – maar ’s avonds op de hotelkamer praatten ze, urenlang. Iets wat thuis onmogelijk was, daar was Hugo altijd aan het werk. „Door fysieke uitputting en een gedeelde fles rode wijn werden we openhartig. Dan voerden we lange gesprekken. Over reizen. Over de liefde. En heel soms over vroeger.”

Een beetje filosoferen, reflecteren, rouwen, „wat dat ook mag zijn”: dat had Jelle voor ogen met zijn rit naar de Middellandse Zee. „Maar daar kwam niks van terecht. Ik was bezig met klimmen, dalen, niet vallen, navigeren, een slaapplek vinden, slapen. Met overleven. Nauwelijks met mijn vader. En toch bleek dat precies te zijn wat ik nodig had: afleiding, een duidelijk doel. Elke dag 100 kilometer.”

Het rouwen had hij al gedaan in het laatste half jaar dat zijn vader leefde, toen de diagnose alzheimer was gesteld. „Vlak na de crematie vroegen mensen soms hoe het ging, en dan voelde ik me haast schuldig dat ik niet onder een dekentje op de bank zat te huilen. Van papa zoals ik hem kende, had ik al afscheid genomen. Aan het eind was er elke week wel een nieuwe radicale verslechtering: niet fietsen, niet lopen, niet praten, niet eten, niet drinken.”

Begrip voor zijn vader

As in tas verhaalt in detail Jelles tocht. Hoe hij in een bed and breakfast overnacht waar de eigenares hem verplicht zijn douchewater op te vangen om daarmee de wc door te spoelen; hoe hij zwak van de koorts zijn hangmat ophangt in een bos; hoe hij, uitgeput, zichzelf moed inspreekt met verzonnen Mart Smeets-voice-overs. Toch is het naast een reisverslag ook een boek over zijn vader geworden. „Tijdens het schrijven ging ik pas nadenken over mijn vader, en kreeg ik in zekere zin meer begrip voor hem.”

Begrip voor de vader die, toen Jelle drie was, zijn vrouw verloor en ineens de zorg voor drie kinderen had, terwijl hij ze zelf niet had gewild. „Misschien ook omdat ik zelf net een dochter heb. Eén baby is al ingrijpend – laat staan drie rondrennende kinderen die je in je eentje moet opvoeden. Hij zal het na de dood van mijn moeder ook niet altijd makkelijk hebben gehad. Kijk, ik ga hem nu niet de hemel in prijzen. Met een andere vader had ik misschien een prettigere jeugd gehad, hij was opvoedkundig gezien geen genie.” In zijn boek beschrijft Jelle bijvoorbeeld hoe hij en zijn zussen eens van huis wegliepen, met als doel zijn vader ongerust te maken. Toen ze weer thuiskwamen, bleek hij niet eens te hebben gemerkt dat ze weg waren geweest.

„Ik schaamde me vaak dood voor hem. Dat doen alle kinderen, maar ik had daar denk ik wel meer reden toe. Dan riep hij bijvoorbeeld op luide toon door het restaurant dat de serveerster zo’n dikke kont had. Maar ik zie nu ook wat die opvoeding me heeft gebracht. Door die gênante acties heb ik uiteindelijk geleerd om me niet zoveel aan te trekken van wat andere mensen denken. En dankzij hem laat ik me ook niet snel van mijn stuk brengen door mensen bij wie een steekje loszit.”

Misschien ook daardoor hield Jelle het zo goed vol in Rusland, waar hij vijf jaar woonde en als journalist werkte. „Eén keer hebben mijn vader en ik daar een rondreis gemaakt. Hij vloog een week eerder terug naar huis. Ik denk dat hij in Rusland niet kon aarden omdat hij omringd was door gelijkgestemden. Hier was hij een grappige, onaangepaste eenling die zich merkwaardig gedroeg, daar was hij een van hen. Dat vond hij moeilijk. Hij is nooit meer teruggeweest.”

Eén boek had Jelle mee op zijn tocht naar de Middellandse Zee: Vader, van Karl Ove Knausgård. „Als ik zijn schrijftalent had, zou ik een hele Winkler Prins kunnen volschrijven over mijn vader. Maar ik ben te snel bang dat ik mensen verveel.”

Tijdens het schrijven is Jelle gaan nadenken over de overeenkomsten tussen hem en zijn vader. „Mijn vader kon bijvoorbeeld net zo lang doorfietsen tot hij er letterlijk bij neerviel. In het boek schrijf ik over de zonnesteek die hij opliep toen we in Noord-Frankrijk waren. Ieder ander had al lang een petje opgezet, maar hij niet. Die spartaanse instelling herken ik bij mezelf. Ik heb van mijn vader nooit echt geleerd om het leven aangenaam te maken in plaats van simpelweg draaglijk.”

Jelle beschrijft in zijn boek ook hoe hij bijna flauwviel van de dorst in plaats van bij een restaurant om water te vragen. „Al speelde daar nog wat mee: de angst dat mensen nee zeggen. Een eventuele afwijzing wil ik niet horen.”

Waarom zou je iemand zo beledigen?

Dan, aarzelend: „Soms vraag ik me af waarom mijn vader zo graag wilde dat mensen een hekel aan hem hadden. Iedereen vindt het fijn om aandacht te krijgen, maar de meeste mensen willen dat op een positieve manier. Terwijl hij… Ik bedoel, waarom zou je – hoorbaar voor iedereen – de serveerster beledigen? Deed hij het simpelweg omdat het kon, omdat hij zich door niets en niemand liet raken? Was hij bang te worden afgewezen als hij iets aardigs zei? Of wilde hij voorkomen dat hij te veel vrienden zou maken? Vriendschappen moet je onderhouden, tenslotte, en daar was hij niet goed in. Maar nu word ik te psychologisch.

„Pirelli, zou Hugo zeggen. Dat was zijn antwoord op alle ingewikkelde vragen die wij hem stelden. Een onzinwoord om van discussies af te zijn. Pirelli.”

Soms schoot dat woord Jelle ook te binnen tijdens zijn tocht naar de Middellandse Zee. „Dan haalde ik het purperen zakje met de as tevoorschijn en dacht ik: waarom in godsnaam? Net zoals ik dat op begraafplaatsen soms heb. Dan sta je bij een grafsteen en dan denk je: wat doe ik hier eigenlijk? Pirelli. Maar toch: na tweeënhalve week fietsen stond ik met mijn voeten in het zeewater bij Nice, en strooide de as in het water. Achteraf bleek dat toevallig op precies datzelfde moment de rest van zijn as ergens op de Noordzee was uitgestrooid, vanaf een vissersboot. Dat gebeurt met alle as die niet wordt opgehaald door nabestaanden. Maar dat die twee verstrooiingen bij toeval op precies hetzelfde moment plaatsvonden: dat vond ik wel mooi.”

De fiets van zijn vader heeft Jelle nog altijd. „Mijn vriendin rijdt er nu op, het was een damesfiets. We hebben er een mandje op gemonteerd; in de toekomst kan onze dochter achterop. Al zal mijn vader die symboliek ook wel weer verschrikkelijk hebben gevonden.”