Linkerbeenprothese benadeelt paralympiër

Paralympische atleten met een linkerbeenprothese zijn op de 200 meter sprint tweetiende van een seconde langzamer dan sporters met een rechterbeenprothese. Atleten met een linkerbeenprothese hebben zo veel méér moeite met de bocht naar links, dat het hen een podiumplaats kan kosten, zegt bewegingswetenschapper Paolo Taboga van de University of Colorado. Woensdag publiceerde hij de resultaten van het onderzoek in het wetenschappelijke blad The Journal of Experimental Biology.

Het team van Taboga liet leden van het Amerikaanse en het Duitse paralympische team zowel tegen de klok in (de normale looprichting) als met de klok mee door een bocht sprinten. Ze bleken gemiddeld 4 procent langzamer wanneer hun prothese aan de binnenzijde van de bocht zat. Tweebenige atleten zijn gemiddeld bijna twee procent langzamer als zij rechtsom moeten rennen, waarschijnlijk doordat zij daarop niet hebben getraind.

Bij paralympische atleten is de prothese tijdens het rennen langer in contact met de grond dan de gezonde voet. Dat geldt voor rechte stukken maar ook voor bochten. Taboga denkt dat hieruit het nadeel in de linkerbocht voor links geamputeerde atleten te verklaren is.

Voor een eerlijke race zouden atleten met een linkerbeenamputatie voortaan in de buitenste banen moeten rennen, suggereert Taboga.