Erik Kriek: ‘Ik ben dol op horror’

>In zijn nieuwe stripboek ‘In the Pines’ roept Erik Kriek de suspense op van vijf ‘murder ballads’. ‘Interessant aan geweld in kunst en media is bijvoorbeeld dat een serie als The Walking Dead mainstream is. Vroeger waren zombiefilms geen haar beter dan porno.’

‘In murder ballads zit alles”, zegt Erik Kriek: „liefde, seks, dood, moraal.” Voor zijn nieuwe stripalbum In the Pines bewerkte de 49-jarige tekenaar vijf liedjes waarin een moord wordt bezongen tot korte stripverhalen. „Die songteksten zijn kleine romannetjes, verhalen met een kop en een staart. Dat is een goudmijn om uit te putten.”

Moordballades vormen een genre op zich, van veelal generaties doorgegeven liedjes, die door talloze muzikanten worden uitgevoerd. Folk- en countryliefhebber Kriek koos onder meer het bekende Long black veil en Where the wild roses grow van Nick Cave en Kylie Minogue, geen traditionele moordballade. De tekenaar zocht naar diversiteit: „80 procent van het genre is: als ik jou niet kan krijgen, kan niemand je krijgen, bam, en hij flikkerde haar in de rivier.”

In Krieks bewerkingen, met veelal alternatieve eindes, hebben de moordenaars steeds een motief, ook al is die beweegreden niet elke keer even redelijk. Maar Kriek gelooft in verzachtende omstandigheden: „Een moord is verschrikkelijk en de dader moet gestraft worden, maar de toedracht is nooit eenduidig. Dus ja, ik heb wel geprobeerd om begrip te wekken voor deze misdaden. Goed en kwaad zijn niet zo zwart-wit te onderscheiden. Moreel is er altijd een schemergebied.”

Geweldsorgies

In amorele schurken heeft Kriek geen interesse. „Dat levert geweldsorgies op en die zie je al genoeg. Dan geniet je als consument, maar denk je achteraf ook: ik moet me even gaan wassen. Interessant aan geweld in kunst en media is bijvoorbeeld dat een serie als The Walking Dead mainstream is. Vroeger waren zombiefilms geen haar beter dan porno en in veel landen verboden.” Heel even windt Kriek zich op. „Tepels mogen niet, maar hoofden afhakken is in orde. Wat is dat voor raars?”

Eerder maakte Kriek tekstloze strips over antiheld Gutsman en van de horrorverhalen van H.P. Lovecraft. Voor In the Pines veroorloofde hij zich meer vrijheden dan bij Lovecraft. „Die murder ballads zijn vaak multi-interpretabel, dus ik ging op avontuur met de tekst. Het was een experiment om niet-lineair te vertellen, met flashbacks die je intuïtief aanvoelt als lezer.”

Het is voor het eerst dat Kriek zelf tekst produceerde. „Het lukte me om een stem te vinden om iets te vertellen.” Eerder verklaarde hij zich een tekenaar die alleen wilde tekenen, afkerig van zelf schrijven. „Ik dacht dat ik het niet kon. Dus liep ik er met een wijde boog omheen. Misschien moet je ouder worden om het dan toch te doen. Dan krijg je de rust of ontwikkel je een fuck-you-attitude. De volgende stap wordt het opzetten van een lange spanningsboog, voor een complete roman.”

Voor het verhaal ‘Pretty Polly en de scheepstimmerman’ herschreef Kriek de rol van het spook in de ballade. „Door dat spook zat er een bovennatuurlijke laag in die ik niet wilde. Maar ik bedacht: de moordenaar trekt de kleren van Polly aan en dan wordt hij een soort Norman Bates. Toen viel het op zijn plek.”

In ‘Taneytown’, getekend naar een lied en verhaal van Steve Earl, steekt een zwarte jongen één van zijn drie blanke belagers neer, die hem in elkaar slaan omdat hij in hun deel van de stad komt. Het moordwapen, een legermes, gaf Kriek een eigen biografie. „Ik las over een zwart regiment dat in de Eerste Wereldoorlog aan de Somme had gevochten, wat uitzonderlijk was. Zwarten werden toen alleen ingezet als facilitair personeel. Die soldaten rekenden na hun dienst aan het vaderland op enig respect, maar ze werden na thuiskomst nog even slecht behandeld. Het mes van de vader, een erfstuk, is het enige wat de zoon van hem heeft en het wordt bij die zoon een instrument van haat, tegen wil en dank.”

De bewerking leverde hem de goedkeuring van Steve Earl op. „Toen hij hier vorig jaar optrad heb ik mijn strip afgegeven. Later hoorde ik via via dat hij het mooi vond. Als de strip in het Engels verschijnt wil hij mijn boek tijdens zijn tournee ook gaan verkopen. Dat is te gek.”

Waar zijn fascinatie voor het morbide vandaan komt, weet Kriek niet. „Ik ben opgegroeid in Amstelveen en heb een beschermd, gezegend leven geleid. Moord en geweld staan ver van me af. Als ik op een verkeersongeluk stuit, dan fiets ik eromheen, met mijn ogen dicht. Bij een vechtpartij raak ik in paniek. Mensen denken vaak als ze me zien: met hem moet je geen ruzie krijgen. Ze vragen me: waar is je Harley, waar zijn je tattoos? Maar ik ben een softie. Alleen in fictie voel ik me aangetrokken door horror en gruwelijkheden. Misschien blijf ik zo in balans.”

Blueberry

Zijn hang naar het morbide werd gevoed door Charles Burns, van wie hij het werk leerde kennen op de kunstacademie. De tekenaar van de duistere klassieker Zwart gat is een held van hem, zegt Kriek. Begin jaren negentig volgden Chris Ware en Daniel Clowes als inspiratiebronnen, hoogst originele tekenaars met een transparante beeldtaal. Kriek: „Zo gedetailleerd tekenen als in Blueberry, vroeg ik me af, hoe gaat me dat ooit lukken? Van deze tekenaars leerde ik dat een strip ook eigenzinnig en kunstzinnig kon zijn.”

Voor In the Pines koos Kriek een „zeefdrukachtige stijl”, zonder contourlijnen. Elk verhaal heeft een eigen steunkleur. „Ik teken en inkt het zwart en spaar het wit uit. De uitsparingen krijgen een kleur, op de computer. Daarna ga ik gummen in de kleur. Eigenlijk maakte ik twee aparte tekeningen die ik op elkaar plakte.”

Bij Kriek komt het sterven expliciet in beeld, maar het bloed spettert in bescheiden mate. „Het moest geen grand guignol worden. Door afstand te houden, krijgt de emotie meer kracht.” Ter illustratie wijst hij op drie plaatjes naast elkaar met het lichaam van Polly, liggend in haar graf, drie keer getekend van bovenaf. Langzaam raakt ze bedolven onder zand. „Dat is een nachtmerrie.”

Het belangrijkste voor Kriek is dat de tekeningen het verhaal dienen. „Ik wil economisch tekenen, filmisch, zodat het beeld een natuurlijke, intuïtieve flow krijgt.” Natuurlijk kan een lezer bij een plaatje blijven hangen. „Net als in een roman, waarin je een mooie zin nog een keer leest. Maar in principe moet het tekenwerk niet afleiden.”

Kriek documenteert zijn werk met foto’s en research. Als hij een zeilschip, een brigantijn, tekent vergewist hij zich ervan dat er nog zeilvaart was honderd jaar geleden. „De exacte tijd waarin de verhalen spelen, laat ik in het midden, maar ik teken een auto, dus het is na 1904.” Hij houdt erg van het Amerikaanse platteland uit die tijd: „Gore dorpjes, een zandpad naar een houten huis, de overweldigende natuur.”

Maar de inspiratie kan ook komen van zijn moederskant, die Fins is. „Scandinavië lijkt erg op Amerika.” Hij wijst op de boerderij in de bossen in het verhaal Waar de wilde rozen groeien. „Dat berkenbos is gewoon bij mijn oma achter. Zij had een houten zomerhuis, met net zo’n groot fornuis, zo’n deur met traptreden ervoor en waslijnen tussen de bomen.”