‘Elk jaar verdwijnen 10 tot 20 gemeenten’

Dat zegt hoogleraar Klaartje Peters van de Universiteit Maastricht in Trouw.

Foto ANP

De aanleiding

Dagblad Trouw schreef op 2 maart over de toename van taken en verantwoordelijkheden voor de gemeenten. In het artikel wordt Klaartje Peters aangehaald, bijzonder hoogleraar lokaal en regionaal bestuur aan de Universiteit Maastricht. Gemeenten moeten volgens haar beter worden toegerust om die taken goed uit te oefenen. Schaalgrootte is een van de voorwaarden daarvoor. „Per jaar verdwijnen er tien tot twintig gemeenten omdat zij met andere fuseren. Dat is ook nodig om tot een kwalitatief goed bestuur en ambtenarenapparaat te komen.”

Waar is het op gebaseerd?

Peters baseert zich naar eigen zeggen op het naslagwerk De staat van het bestuur, dat het ministerie van Binnenlandse Zaken elke twee jaar uitbrengt. „Afhankelijk van de vraag op welke periode je baseert (1970-heden, 1980-heden etc.) daalt het aantal gemeenten met iets van 10-13 per jaar. De laatste ‘Staat’ uit 2014 meldt dat als je de periode 2000-2014 neemt, het er gemiddeld een kleine tien per jaar zijn die verdwijnen, met grote uitschieters naar boven en beneden (het ene jaar 33, het andere jaar geen).”

En, klopt het?

Afhankelijk van de vraag op welke periode je je baseert – dat is een cruciaal voorbehoud.

Dat het aantal gemeenten gestaag afneemt, is onmiskenbaar. In 1900 telde Nederland nog 1.121 gemeenten. Per 1 januari 2016 zijn er 390 van over; gemiddeld een afname met ruim 6 per jaar. Het gemiddeld aantal inwoners per gemeente steeg van 5.000 in 1900 tot bijna 43.600 in 2016. Die schaalvergroting is, zeker de laatste jaren, ook de bedoeling van de regering, geheel in lijn met de opmerkingen van professor Peters.

Dat deel van haar uitspraak is overigens meer omstreden, zegt haar promotor, emeritus hoogleraar bestuurskunde Fred Fleurke. „Er zijn verschillende onderzoeken gedaan naar het verband tussen schaalgrootte van de gemeente en de beleidsprestaties van haar bestuur en ambtenaren. Wetenschappelijk is het nooit aangetoond. Dat schaalvergroting de oplossing is voor tal van problemen is een diepgeworteld geloof.”

Fleurke placht zijn studenten te wijzen op de steile lijn omlaag vanaf het jaar 1965. Toen waren er nog 967 gemeenten, 577 meer dan nu: gemiddeld verdwenen in die periode 11,3 gemeenten per jaar. Het jaartal dat Klaartje Peters in haar mail noemt, 2000, levert een gemiddelde op van 9,2 ‘verdwenen’ gemeenten per jaar: van 537 naar 390 in zestien jaar tijd.

Een ander logisch ijkpunt zou 2006 kunnen zijn. Toen besloot toenmalig minister Remkes (Binnenlandse Zaken, VVD) dat gemeenten met minder dan 20.000 inwoners zouden moeten fuseren. Tien jaar later telt de kleinste gemeente van Nederland (Schiermonnikoog), nog altijd minder dan duizend inwoners.

Op 1 januari 2006 waren er volgens het CBS 458 gemeenten. In de laatste tien jaar zijn er dus 68 opgegaan in grotere verbanden – gemiddeld nog geen 7 per jaar. Allemaal bij lange na niet de „tien tot twintig” van Klaartje Peters.

Dat het bij gemeentefusies gaat om een „diepgeworteld geloof”, zoals Fleurke zegt, wordt wel bewezen door de huidige minister van Binnenlandse Zaken, Plasterk (PvdA). Die zei in februari 2013 te verwachten dat er rond 2017 honderd gemeenten minder zouden zijn. Toen waren er 408, nu 390. Komend jaar moeten er dus nog 82 gemeenten verdwijnen om aan de verwachting van de minister te voldoen.

Conclusie

Er zijn periodes af te bakenen waarin de bewering van Klaartje Peters nét klopt. Maar als we ons tot deze eeuw beperken ligt het gemiddelde onder de tien. We beoordelen de stelling daarom als onwaar.