Durf je ze in huis te nemen?

Deze dieren zijn een natuurlijke dood gestorven. Maar verder is het werk van Les Deux Garçons, nu te zien in Maastricht, soms best verontrustend.

Pure, taxidermie Foto’s Strictua

Op de redactie van deze krant lag onlangs een catalogus met werk van het kunstenaarsduo Michel Vanderheijden Van Tinteren en Roel Moonen. Jeux d’anges heureux luidde de titel, spelletjes van gelukkige engelen. Iedereen die erin bladerde begon spontaan te lachen.

Want wat zag je: liefdevol opgezette dieren, vaak in het midden met elkaar verbonden als Siamese tweelingen, feestmutsjes op het hoofd, strikjes om de hals, tuigjes van lint. Zwijntjes, hertjes, lammetjes, hondjes. Met hun wat opgetrokken mondhoeken leken ze zelf ook te lachen, licht opgemaakte ogen keken je glimmend aan.

En dan waren er nog de porseleinen rococobeeldjes die een ander hoofdje hadden gekregen: dat van een parkiet of een muis. Ook die hadden een menselijke, vaak bijna guitige uitdrukking. De hoofdjes leken bij de beeldjes te horen, net zoals de samengestelde dieren er naturel uitzagen.

Alleen, als je wat langer bladerde kwam ook de verwarring opzetten. De sculpturen waren betoverend ja, ook dankzij de perfectie waarmee ze waren afgewerkt, maar waar zat je eigenlijk naar te kijken? Vormden die met elkaar verbonden dieren nou een geheel of juist niet? Zat hun tijd erop of zag je nog leven? En als je naar de porseleinen beeldjes keek, zag je dan dieren of mensen?

Wat je je vervolgens vooral afvroeg: zou je zo’n kunstwerk in je eigen huis durven nemen? En dan elke dag opnieuw even niet weten hoe het zit?

Sinds deze week kun je in de praktijk een antwoord op die vragen proberen te krijgen. Niet helemaal toevallig tegelijk met kunstbeurs Tefaf heeft het Museum aan het Vrijthof in Maastricht de tentoonstelling Pure ingericht. Het is een overzicht van vijftien jaar werk van Les Deux Garçons, zoals Michel Vanderheijden Van Tinteren (50) en Roel Moonen (50) zich noemen sinds ze samenwonen en samenwerken. Dat die tentoonstelling hier plaatsvindt, is niet vreemd: Michel en Roel komen uit Limburg. Ze wonen op een half uurtje rijden van Maastricht, in Landgraaf.

Die afkomst verbindt ze ook. Ze zijn allebei katholiek opgevoed, allebei opgegroeid in een traditie van decoratie en verguldsel, allebei student geweest aan dezelfde kunstacademie, waar ze op elkaar werden geattendeerd omdat mensen zeiden: hé, jouw werk lijkt op dat van iemand anders die hier ook rondloopt.

Dierentuinen en dierenartsen

Nu struinen ze samen rommelmarkten en antiekhandelaren af op zoek naar objets trouvés, voorwerpen voor onverwachte combinaties zoals eerder dadaïsten en surrealisten die maakten. In hun geval: opgezette dieren die ze samenbrengen met elkaar en met andere objecten, soms ook met bronzen beelden die ze zelf gieten. Ter geruststelling: alle dieren zijn een natuurlijke dood gestorven, ze betrekken ze van dierentuinen, dierenartsen en particulieren en een taxidermist zet ze voor ze op. Veel van deze werken hebben intussen hun weg gevonden naar internationale verzamelaars en musea.

Op de dag voor de opening zitten we in het café van het museum, dat tegelijk de ingang vormt van de tentoonstelling en waar ook al de eerste werken hangen. Michel en Roel dragen allebei een donkerblauwe trui, maar net niet dezelfde. Wanneer ze praten vullen ze elkaar aan. We zijn, zeggen ze, vergelijkbare mensen: „Ook toen we elkaar nog niet kenden, waren we al geïnteresseerd in dezelfde dingen. We verzamelden schelpen en stenen, we spaarden om mooie dingen te kunnen kopen.” Een beetje, denk je onwillekeurig, zoals de dieren die ze met elkaar verbinden niet identiek zijn, maar wel op elkaar lijken: daar zijn ze op uitgezocht (en daarvoor moeten ze soms jaren wachten tot een tweede dier zich aandient).

Het werk waar we tijdens het praten op uitkijken: twee bordercollies die samen aan een Chanelknaapje hangen: Le désir du choix, het verlangen naar een keuze. Poeh. En, als je je hoofd naar links draait: twee alpaca’s die één zijn geworden. Zonder toevoegingen deze keer, al hebben ze die wel uitgeprobeerd: „Een tuigje, een zadeltje. Maar het werkte niet.” Naar deze sculptuur is de tentoonstelling vernoemd.

Je ziet er meer dan honderd werken, verdeeld over de kleine kamers waaruit het museum als historisch pand bestaat. Veel dieren, maar ook veel bronzen beelden, waaronder een raadselachtige stoel die is bekleed met oorschelpen, op de zitting ligt een ei: Le mariage, het huwelijk.

Alsof ze hier altijd zijn geweest

Veel van de kamers in het museum zijn voor de tentoonstelling gewit, maar de achttiende-eeuwse stijlkamers zijn onaangetast gebleven. Daar blijken de opgezette, in deze omgeving luxueus en decadent ogende dieren wonderwel te passen. Alsof ze er altijd zijn geweest.

En dan gebeurt het weer. In een van de kamers staan opeens alleen maar witte beelden, die je niet kent uit de catalogus met de vrolijke dieren. Ze zijn van wit gemaakt brons, maar op de plaats van de ogen zitten gaten. Door die gaten kijken de ogen van herten je aan, het lijken in een onschuldig ogend omhulsel opgesloten, nog levende dieren.

En nog een keer. Je bent net op adem gekomen, doordat je even glimlachend stond te kijken naar Madame Récamier, een porseleinen dametje op een sofa in een goudkleurige jurk, het hoofd van een eekhoorn, de staart als een stola die op de grond is gegleden. Waarna je in de laatste zaal komt en daar als eerste twee doodgeboren aapjes ziet: Maria met in haar armen de dode Jezus, La Pietà de Darwin. „Dat was wel heftig om te maken ja, de vingertjes waren bijna menselijk.” Menselijk is ook de uitdrukking van de moeder: rouwend en diep verdrietig.

Het laatste werk van de tentoonstelling, tevens hun meest recente: een gekruisigde ijsbeer. Als reactie op de opwarming van de aarde is hij met gespreide armen aan de muur genageld, het hoofd hangt. Hier valt even niks meer te lachen.