Referendum over Oekraïne is veel te vaag en niet politiek

Hou liever een volksstemming over de dingen waarover we zelf moeten beslissen – zoals onze organen, schrijft Maxim Februari.

illustratie pavel constantin

Een leuke, jonge vrouw spreekt me op straat zomaar aan. ‘Wat vindt u van homoseksualiteit?’ vraagt ze. Vreemde openingszin. ‘Ik ben er niet voor’, zeg ik. Om misverstanden te voorkomen voeg ik daaraan toe: ‘Ik ben er ook niet tegen.’ Het lijkt haar een redelijk standpunt. ‘Ik vind er eigenlijk niets van’, concludeer ik. Dat stemt haar helemaal tevreden, en dan heeft ze alleen nog mijn IBAN-nummer nodig en mijn handtekening om haar te machtigen iets aan de wereld te verbeteren en we hebben de homoseksualiteit afgerond.

Toch zit het me niet lekker. Had ik iets moeten vinden? Vind ik eigenlijk wel wat? Vind ik iets van de islam bijvoorbeeld? Van Europa? Oké, een makkelijke dan: wat vind ik van het Europees associatieverdrag met de Oekraïne? Verslagen sta ik stil op de Oude Gracht. Dit gaat niet de goede kant op, besef ik.

Met een referendum op komst probeer ik de dagen daarna mijn zaakjes op orde te krijgen. Er blijken tal van onderwerpen te zijn waarvan ik wel degelijk iets vind. Kwesties die ik als acuut referendum-waardig beschouw. Parlementaire democratie of niet, je zou willen dat de mens beschikkingsmacht houdt over eigen lijf en leven. Nu de liberalen binnenkort bij wet al mijn organen aan de staat gaan doneren zonder mij zelf iets te vragen, zou ik daarover graag een referendum zien. Nu overheid en bedrijven in achterkamertjes mijn elektronische identiteit vormgeven zonder mij daarin te betrekken, zou ik daarover per referendum willen meepraten. Vandaag nog. Maar ‘toenadering’ tot de Oekraïne?

Het is waar dat volk en volksvertegenwoordiging een beetje de weg zijn kwijtgeraakt in de onderlinge verhoudingen. De gedachte dat het parlement qua vertegenwoordiging tekortschiet heerst zelfs in het parlement. Onlangs nog klaagde VVD-parlementariër Malik Azmani luidkeels in een televisieprogramma dat de burger niet wordt vertegenwoordigd. Toen een van de andere tafelgasten suggereerde dat het Kamerlid van de regeringspartij dat vertegenwoordigen dan maar eens rap ter hand moest gaan nemen, zweeg de parlementariër verbluft. Dacht hij dat hij een klager in een televisieprogramma was. Bleek hij een van de hoge heren te zijn.

Bij zoveel verwarring tussen volk en volksvertegenwoordiging kan een referendum geen kwaad. Maar aan het referendum dat nu op tafel ligt vallen drie dingen op die in combinatie met elkaar raar zijn. Ten eerste: van alle onderwerpen waarover je wilt dat mensen zich individueel uitspreken is, zoals gezegd, de ‘stimulering van multilaterale relaties met de Oekraïne’ niet het meest urgente. Waarom zou je de integriteit van je eigen lichaam overlaten aan het parlement – terwijl je een referendum organiseert over de bevordering van de rechtsorde in Oost-Europa?

Bij zoveel verwarring kan een referendum geen kwaad

Ten tweede is de vraag over het associatieverdrag een klassieke wie-vraag in plaats van een hoe-vraag. Burgers kunnen via hun antwoord niet meepraten over de inrichting van de samenleving. De referendumvraag is niet een praktische ‘hoe willen we dat precies’-vraag. In plaats daarvan gaat de volksraadpleging erover met wie we ons willen associëren. Niet ‘hoe leggen we onze identiteit vast’, maar ‘met wie identificeren we ons’. En hiermee is het een typische uitsluitingsvraag.

Nou zou je kunnen zeggen dat juist dit uitsluitingskarakter het referendum tot een politieke kwestie maakt. Als een staat wordt gedefinieerd door zijn grenzen – door wat er buiten moet blijven – is een associatieverdrag bij uitstek een politiek onderwerp. De burgers kunnen vertellen met wie ze zich willen associëren, wie tot ‘wij’ behoren en wie tot ‘zij’. Wie binnen de grenzen van de identificatie vallen en wie niet.

Maar als dat zo is, als deze referendumvraag bij uitstek een politieke vraag is, waarom zien we dan niet meer strijd in de aanloop tot het referendum? Waarom laten de burgers dan niet hun voor de democratie zo onmisbare onderbuikgevoelens spreken? Hun temperamenten en emoties die ze in onverzoenlijke richtingen van het politieke spectrum sturen? Waarom – en dat is het derde wat opvalt – waarom wil deze typisch politieke kwestie maar niet politiek worden?

Omdat het allemaal veel te vaag is, natuurlijk. Wat betekent het als we straks niets multilateraals stimuleren met de Oekraïne? Wie sluiten we dan uit en wie in? Wie zijn dan wij en wie zij?

Het referendum wil maar geen gezellige politieke uitsluitingskwestie worden omdat antwoorden ontbreken. En dus hoop ik van harte dat we hierna eens een volksraadpleging doen over iets anders dan het eeuwige politieke gezeur van uitsluiting, groepsdenken en gemeenschap. Over de dingen waarover we zelf moeten beslissen, bijvoorbeeld. Onze organen. Onze online identiteit. Ons leven.

Maxim Februari is jurist en schrijver.